01. In Zijn Naam – Satan en zijn volgelingen in Gods woord
Inleiding
De Bijbel spreekt open en eerlijk over een geestelijke wereld die wij niet kunnen zien, maar die wél werkelijk is. In veel kerken en gemeenschappen wordt er niet over gesproken, of wordt het bestaan van demonen genegeerd. Als je iets negeert, dan is het er niet. Als het er niet is, kun je er ook geen last van hebben en hoef je je er niet tegen te weren.
Dus als er geestelijke duisternis je leven binnendringt, door het gemis van het Licht van Jezus, of misschien zelfs in de vorm van demonen, dan bestaat het simpelweg niet, want het geloof in het bestaan van geestelijke duisternis ontbreekt. Als er geen duisternis is, hebben we ook het Licht van de Bijbel niet nodig, en zo dwalen we verder in de donkerheid.
Een mooi voorbeeld: zit je in het donker, bijvoorbeeld in je huis, en steek je een kaars aan, dan zal deze kaars een stukje van het donker wegnemen. Het licht kan het donker verdrijven, maar het donker kan het licht niet wegnemen. Vul je jezelf dus met het Licht van Jezus, met de waarheid van de Bijbel, dan bescherm je jezelf tegen de duisternis.
“Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.” (Efeze 6:12)
Satan en zijn aanhangers zijn actief op aarde
De Bijbel laat zien dat satan uit de hemel is gevallen en nu op aarde actief is om de wereld te misleiden. Jezus zegt: “Ik zag satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Luk. 10:18). Openbaring 12 vertelt dat de grote draak, de duivel, met zijn engelen op de aarde is neergeworpen (Opb. 12:9).
Jesaja verwoordt dezelfde val: “Hoe bent u uit de hemel gevallen… u ligt geveld op de aarde” (Jes. 14:12). Daarom klinkt de waarschuwing: “Wee hun die de aarde bewonen, want de duivel is naar u toe gekomen” (Opb. 12:12).
Vanaf dat moment richt hij zijn woede op Gods kinderen en voert hij oorlog tegen allen die Gods geboden bewaren en het getuigenis van Jezus hebben (Opb. 12:13,17).
Waar voert satan oorlog tegen? Niet tegen de heidenen, niet tegen mensen die de Bijbel een sprookjesboek noemen, niet tegen mensen die Jezus niet erkennen. Nee, hij voert oorlog tegen “…allen die Gods geboden bewaren en het getuigenis van Jezus hebben”. Met andere woorden: tegen hen die Jezus willen volgen.
De verleiding in Genesis
“De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?” (Genesis 3:1)
De slang in Genesis 3 heet in het originele Hebreeuws nachash. Dat woord komt voort uit een Hebreeuwse stam die ‘schijnen’ of ‘glanzen’ betekent, zoals iets dat licht geeft of fonkelt.
Daarom zien veel bijbelkenners de slang niet als een gewoon dier, maar als een schitterend, slim wezen, misschien een gevallen engel of demon in vermomming. Dat past bij hoe hij praat en Eva verleidt. En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht (2 Korinthe 11:14).
In Numeri 21 klaagt Israël in de woestijn, waarop God vurige slangen (nachashim serafim) zendt die bijten. Mozes maakt een koperen slang (nachash nechoshet) op een paal: wie ernaar kijkt, geneest. Nechoshet komt voort uit dezelfde wortel n-ch-sh als nachash, wat ‘glanzen’ of ‘fonkelen’ betekent – een schitterend, roodkoperen beeld dat licht weerkaatst.
Satan is onze aanklager en werkt heel hard
Je kunt veel over satan en zijn aanhangers zeggen, maar één ding is duidelijk: ze werken hard. De Bijbel laat zien dat hij dag en nacht bezig is: “de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God” (Opb. 12:10).
Waarom zoveel inzet? Openbaring geeft het antwoord: “want de duivel is naar u toe gekomen, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft” (Opb. 12:12).
En waarom is hij zo trouw in zijn kwaad? Een voorganger zei eens treffend: “Er zijn geen trouwere kerkgangers dan satan en zijn aanhangers.” Hij mist geen enkele gelegenheid om te misleiden, aan te klagen en te vernietigen.
Satan als aanklager op aarde actief
De Bijbel laat zien dat satan niet alleen op aarde actief is, maar zich ook voor God durfde te vertonen. In Job lezen we dat de zonen van God zich kwamen presenteren voor de HEERE, en dat ook satan in hun midden kwam (Job 1:6; 2:1).
Dat patroon komt opnieuw terug in Zacharia 3:1, waar de hogepriester Jozua voor de Engel van de HEERE staat, terwijl satan aan zijn rechterhand staat om hem aan te klagen. De tegenstander zoekt voortdurend naar een aanklacht.
Dat bevestigt Job 1:7, waar de HEERE vraagt: “Waar komt u vandaan?” en satan antwoordt: “Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.”
Het beeld is duidelijk en consistent: satan klaagt, beschuldigt, zoekt kapstokken, en is voortdurend in beweging, op aarde, tussen de mensen, met maar één doel: schade aanrichten waar hij kan.
God beschermt ons
De Bijbel laat zien dat God ons beschermt, ook terwijl het geheimenis van de wetteloosheid al werkzaam is. Paulus schrijft: “Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is” (2 Thess. 2:7).
Daarom roept Petrus ons op om nuchter en waakzaam te zijn, want “uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden” (1 Petr. 5:8).
In het boek Job zien we hoe snel satan werkt wanneer hij de ruimte krijgt.
Satan maakt zijn opwachting bij God. De HEERE zegt: “Hebt u acht geslagen op Mijn dienaar Job? Hij is vroom, oprecht, godvrezend en keert zich af van het kwaad.” Maar satan schuift direct een aanklacht naar voren: “Vreest Job God soms zonder reden? U hebt hem toch beschermd en gezegend?” (Job 1:8-10).
Dan krijgt satan beperkte ruimte. God zegt: “Alles wat hij heeft is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken.” En satan gaat weg van het aangezicht van de HEERE (Job 1:12).
We zeggen wel eens: “Hij laat er geen gras over groeien.” Nou, dát doet satan ook niet. Wanneer hij de kans krijgt, grijpt hij die onmiddellijk.
Wat daarna gebeurt, is het ergste wat een mens kan overkomen. Job verliest alles: de ene boodschapper na de ander komt binnenvallen. De één is nog niet niet uitgepraat of de volgende staat er al. Er staat vier keer: “Terwijl deze nog sprak, kwam er nog weer een ander en zei:…”
-
Zijn runderen en ezelinnen worden geroofd en zijn knechten worden omgebracht (vs. 14-15).
-
Vuur uit de hemel verteert zijn schapen en knechten (vs. 16).
-
De Chaldeeën nemen zijn kamelen weg en doden de knechten (vs. 17).
-
Een stormwind verwoest het huis van zijn kinderen, en zij komen om (vs. 18-19).
“…en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.” Alles en iedereen wordt omgebracht; er blijft alle vier keer maar één boodschapper over, die snel het nieuws kan brengen.
Hoeveel kan een mens verdragen? Als we dit lezen, voelen we de intensiteit van het lijden dat Job trof. En toch blijft zijn geloof overeind. Wat een getuigenis voor ons! Vanuit een gemakkelijke stoel is het eenvoudig om Gods wil te doen, maar wat zouden wij doen als wij in Jobs situatie stonden?
Job zegt: “De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!” En dan staat er: “In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.” (Job 1:22)
Wauw, ik weet niet of ik dat zou kunnen.
Het lijden van Job wordt erger
Maar hier eindigt het verhaal van Job niet. Je zou denken: satan heeft Job alles afgenomen, nu is hij tevreden. Job heeft zijn geloof bewezen, klaar. Maar opnieuw gaat satan naar God. Hij zegt: “Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Raak zijn lichaam maar, dan zal hij U wel vervloeken.” (Job 2:4-5)
De HEERE antwoordt: “Hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.” (vs. 6) En weer gaat satan weg van Gods aangezicht. Hij trof Job met pijnlijke, vreselijke zweren, van zijn voetzool tot aan zijn schedel (vs. 7). Job zat midden in de as en krabde zich met een potscherf, maar “in dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.” (vs. 8-10)
Zijn vrienden herkenden hem niet eens meer toen ze hem van verre zagen. Ze hieven een luid geweeklaag aan, scheurden hun kleren en wierpen stof omhoog, als teken van diepe rouw (vs. 12). Daarna zaten ze zeven dagen en zeven nachten naast hem op de grond. Niemand zei iets, “want zij zagen dat het leed zeer hevig was.” (vs 13)
Na het bestuderen van Job 1 en 2 zien we duidelijk hoe satan werkt: hij klaagt, verleidt en probeert Gods kinderen te breken. Job verloor alles, zijn bezit, zijn kinderen, zijn gezondheid, en werd geconfronteerd met het kwaad dat op aarde rondgaat. Toch bleef zijn geloof standvastig: “De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!” (Job 1:21).
Maar het verhaal eindigt niet in nederlaag. Nadat Job gebeden had voor zijn vrienden, bracht de God een omkeer in zijn levenslot: alles wat Job bezeten had, werd verdubbeld. Zijn trouw werd beloond, en God liet zien dat Hij Zijn kinderen beschermt en uiteindelijk herstel brengt..
En de HEERE zegende het latere leven van Job meer dan zijn eerdere. (Job 22:12)
In het volgende deel gaan we verder zien hoe mensen in de Bijbel door demonen werden bezocht, soms bezeten waren, en wat dit ons vandaag kan leren over geestelijke strijd en Gods bescherming.
Greetje Jansen
