20. Oordeel en Genade - Zeventig zonen, één Vader
2 Koningen 10:1-17
Achab had zeventig zonen die in Samaria woonden. Of hij elders in het land nog zonen had verwekt, weten wij niet. Hij zal zeker ook ongeveer evenveel dochters hebben gehad. Dit is het gevolg van veelwijverij: veel vrouwen leiden tot veel kinderen. Maar het mocht niet baten; geen van hen zou ooit op de troon van Achab zitten.
Jehu liet een brief naar Jericho sturen met de boodschap: zet één van de zonen van Achab op de troon en strijd voor hem, als jullie dat willen. Maar niemand durfde zich tegen Jehu te verzetten. Zij antwoordden: Wij zijn uw knechten, zeg maar wat wij moeten doen.
De zonen van Achab waren ondergebracht bij de aanzienlijken van de stad, die ervoor moesten zorgen dat zij een goede opvoeding kregen. Achab en Izebel vonden het waarschijnlijk te druk om zoveel kinderen om zich heen te hebben. De opvoeders kregen nu bevel van Jehu: Als jullie werkelijk op mijn hand zijn, neem dan de hoofden van de zonen van Achab en breng ze mij in Jizreël.
Hierop onthoofdden zij alle zeventig zonen van Achab en brachten hun hoofden naar Jehu in Jizreël. Hij liet deze op twee hopen aan de ingang van de stadspoort leggen, zodat iedereen die de stad in- of uitging kon zien wie nú de baas was in Israël.
Toch was Jehu’s bloeddorst nog niet gestild. Het hele land werd afgezocht naar familie van Achab. Niemand overleefde deze moordpartij. Ook degenen die onder de regering van Achab hadden gediend, moesten het leven laten. Zelfs buiten de landsgrenzen van Israël waren de bloedverwanten van Achab hun leven niet zeker.
Toen Jehu de zeventig zonen had gedood, ging hij op weg naar de hoofdstad Samaria. Onderweg ontmoette hij 42 mannen, die hij vroeg wie zij waren en wat zij kwamen doen. Zij verklaarden dat zij familie waren van Ahazia, koning van Juda, en door verzwagering met het huis van Achab medeschuldig waren aan diens zonden. Zij waren gekomen om familie te bezoeken, nog niet wetend dat niemand van hun familie nog in leven was. Jehu beval dat niemand van hen mocht ontkomen. Ook zij allen werden gedood. Zo bleef vrijwel geen bloedverwant van Achab over; zijn naam werd vanonder de hemel uitgewist.
De profetie die God via Elia aan Achab had gegeven, werd hier tot de letter vervuld. Voor ons is het moeilijk voor te stellen dat God op deze manier geëerd werd. Het enige wat wij kunnen aanvoeren, is dat de generaties de tijd kregen om hun zonden in te zien en zich te bekeren. De profeten werden echter tevergeefs gestuurd; niemand sloeg acht op hun prediking.
Zijn wij in onze tijd werkelijk anders dan die generatie? Zal het oordeel over mensen die vandaag leven veel anders zijn, als zij niet naar Gods boodschappers willen luisteren en zich niet bekeren?
De ontmoeting met Jonadab
Deze epiloog sluit af met de ontmoeting tussen Jehu en Jonadab, een minder bekende Bijbelfiguur. Jonadab, een zoon van Rechab, werd stamvader van de Rechabieten, een zeer orthodoxe familie die zich onthield van wijn en als nomaden in tenten leefde. De profeet Jeremia noemt hen als voorbeeld hoe wij naar onze voorouders moeten luisteren.
Toen Jehu Jonadab ontmoette, vroeg hij: Ben jij net zo’n goede vriend van mij als ik van jou? Jonadab antwoordde bevestigend. Hierop riep Jehu hem op zijn strijdwagen en liet hem rondrijden om te laten zien wat hij allemaal voor de Heere had gedaan om de zonden uit Israël uit te roeien.
Hoever moeten wij gaan om God te dienen?
Wij leven in een tijd waarin minstens evenveel zonden worden begaan als in de tijd van Achab: overspel, moord en doodslag zijn aan de orde van de dag. Hebben wij dan, net als Jehu, het recht om met de botte of scherpe bijl zondaars te straffen? Of heeft Jezus ons opgedragen Zijn vergeving aan te bieden en een betere weg naar eeuwig geluk te wijzen, te vinden in het evangelie van Jezus Christus?
Ook in de tijd van Achab werd de vergeving van zonden aangeboden, op voorwaarde van bekering en gehoorzaamheid aan Gods wet. Niet veel anders dan nu. Wij mogen niet vergeten dat de zondaars van vandaag, net als in Jehu’s tijd, de eeuwige dood zullen sterven, want het Schriftwoord zegt duidelijk: de ziel (=mens) die zondigt, zal sterven.
Dit klinkt misschien niet als een evangelische blijde boodschap, maar de waarheid is simpel: luister naar God en ontvang het eeuwige leven, of wijs het evangelie af en ontvang de eeuwige dood. Deze keuze is eenvoudig, maar heeft levensveranderende gevolgen. Het leven wordt er niet automatisch makkelijker door. De tegenstander zal ons dagelijks belagen; het wordt een tachtigjarige oorlog. Ook het terecht wijzen van zondaars zal niet in dank worden afgenomen, zoals de profeten en apostelen al hebben ondervonden.
Slot
Ik wens u veel sterkte met uw opdracht.
Piet Westein
P.S.
Jehu staat nog maar aan het begin van zijn reformatie. Nu moet hij de Baälsdienst met zijn afgodische leer nog uitroeien. Ik ben benieuwd of hem dat zal lukken.
Piet Westein