Jozef 9

Nogmaals naar Egypte

 

Aan het begin van de derde tocht naar Egypte staat dat Israël opbreekt met alles wat hij heeft. Hier wordt de nieuwe naam Israël gebruikt voor de aartsvader Jakob. Hij en Zijn stam breken hun hele kamp op en gaan op weg naar Egypte. Onderweg stoppen zij bij Berseba [de zeven lammetjes]. Hier brengen zij de God van zijn vader Isaak slachtoffers. God reageert daarop, door Zich aan Israël te openbaren. God doet dat door hem, in een nachtelijk visioen, bij zijn oude naam dat is Jakob aan te spreken. Hij roept Jakob, Jakob, het antwoord van Jakob is: hier ben ik. Waarom God, Jakob hier bij zijn oude naam roept, moet een bijzondere reden hebben. Hij had hem toch zelf zijn nieuwe naam gegeven? De reden is, vermoed ik, dat hij kennelijk nogal bang is om deze reis te ondernemen, zijn vertrouwen op God is nog steeds niet volkomen, Jakob heeft nogal steeds zo zijn bedenkingen.

 

Het is dan dat God hem op dat ogenblik opnieuw een belofte doet. Namelijk: Ik zal u tot een groot volk maken. Niet jij en je nageslacht moeten veel kinderen verwekken, en zo zal je tot een groot volk worden, maar, Ik, God zal dat doen. Tot nog toe kennen wij Jakob, als iemand die met de hulp van God, graag zijn eigen steentje bijdraagt. In plaats helemaal op God te vertrouwen, wil hij, een mens, God helpen om zijn beloften aan hem waar te maken. God laat hem hier zien dat, als hij niet vanuit het geloof in Gods almacht alleen kan leven, hij zijn nieuwe naam Israël, die hij van God zelf heeft gekregen, niet waard is. Hij krijgt de belofte dat God met hem zal gaan op deze reis. Hij zal zijn jaren in Egypte uitdienen en zijn zoon Jozef, die hij zolang heeft moeten missen, zal hem de ogen toedrukken als hij sterft. Ook zal hij weer teruggebracht worden naar het beloofde land. Hij zou daar in zijn familiegraf worden bijgezet.

 

Onze vraag is, of die belofte van God, alléén bedoeld was voor de man Jakob = Israël? Of was dit een belofte voor iedereen die zich bij zijn nieuwe naam zou noemen? Met andere woorden zou God, al die nakomelingen van hem, die zich Israël zouden noemen, de komende 400 jaar beschermen, verzorgen en tenslotte naar het beloofde land brengen? Aangezien wij de geschiedenis kennen en God hen inderdaad naar Kanaän terug heeft gebracht op de beloofde tijd, kunnen wij dat volmondig beamen.

 

Na van God de specifieke belofte te hebben ontvangen, dat hij hen zou beschermen op deze reis, ging de hele karavaan op weg. Dit ging heel wat makkelijker dan dat wat zij tot nog toe gewend waren. Farao zelf had hen een aantal wagens gestuurd om de vrouwen en de kinderen te vervoeren. Maar het waren niet alleen de 66 mensen bij Jakob die vervoerd moesten worden. Hij was een rijk herdersvorst. Al zijn vee moest die afstand afleggen. Terwijl zij stapvoets onderweg gaan, en zich voegen naar de tred van het vee, wordt de oudste zoon, Juda, vooruitgestuurd. Hij moet Jozef gaan vertellen dat zijn vader onderweg is. Juda moet zijn broer Jozef vragen of hij zijn vader wil ontmoeten in de landstreek Gosen. De streek die hen is toegezegd.

 

De hereninging

Als Jozef dit bericht krijgt spant hij zijn chariot in en rijdt ijlings zijn vader en broeders tegemoet. Als zij elkaar ontmoeten vloeien de tranen rijkelijk. Alle moeite en droefheid die zij de afgelopen jaren hebben doorstaan vallen van hen af. Jakob=Israël roept, als hij zijn zoon Jozef om de hals valt, uit: nu ik jouw gezicht gezien heb kan ik in vrede sterven. Jakob zou overigens nog 17 jaar in het land Gosen wonen.

Er staat dat zij ingezetenen werden in het land Gosen. Tot nog toe waren zij nomaden geweest, die in tenten woonden, en van weidegrond naar weidegrond trokken. Nu hadden zij een eigen vruchtbaar gebied waar zij op één plaats konden blijven wonen en huizen bouwen. Zij zouden hier uitgroeien tot een groot volk.

 

Als Jakob, de farao van Egypte ontmoet, vraagt deze hoe oud hij is. Het antwoord van Jakob komt misschien een beetje vreemd over. Hij zegt: Het getal van de jaren van mijn vreemdelingschap zijn 130 jaar. Zij zijn minder dan de jaren van mijn vader en van mijn grootvader van hun vreemdelingschap. Met hen vergeleken heb ik maar weinig jaren geleefd. Ook waren deze jaren gevuld met kommer en kwel. Dat woord, vreemdelingschap, moeten wij wat nader bezien. Aan Abraham werd door God opgedragen dat hij zijn eigen land moest verlaten en naar een land gaan dat God hem wijzen zou. Eens, zo luidde de belofte zouden zijn nakomelingen dat land in bezit krijgen. Maar tot die tijd zouden hij, Abraham en zijn nakomelingen als vreemdelingen en bijwoners daarin rondtrekken. Daarom het woord vreemdelingschap.

 

Je vraagt je af of dit het getuigenis moet zijn van een kind van God, iemand die van voor zijn geboorte, door God zelf geroepen was, om de vader van het uitverkoren volk te worden?  God had hem keer op keer met engelen omgeven om hem tegen zijn vijanden te beschermen. Jakob had de Heer zelf ontmoet, Hem aangeraakt, met Hem geworsteld aan de beek Jabbok. En dit is zijn getuigenis aan de heerser van dit grote rijk? Ik heb kort geleefd en het was nog slecht ook?

Het onderhoud met Farao eindigt met een al even vreemde handeling van de kant van Jakob. Hij, het stamhoofd van een familie rondtrekkende schaapherders, heft zijn handen op en zegent de heerser van een zeer groot rijk. Zoiets was zeer tegen de gewoonten van die tijd in. Een zegen werd gegeven van een meerdere aan een mindere, maar hier draait Jakob [of is het God?] de rollen om. Eigenlijk zegt hij tegen Farao: De God die mij gezegend heeft die zegene ook u. Daarmee zet Jakob de God van Israël boven alle goden van Egypte. Dit was ongehoord en zeker niet ongevaarlijk. Als het niet zo was geweest dat deze Farao, via Jozef, de God van Israël had leren kennen, als de enig ware God, dan had dat zeker anders kunnen aflopen. Hierin kunnen wij zien dat dat getuigenis van Jakob aan Farao tenslotte nog niet zo slecht was.  

 

66?

Wij hebben gelezen dat Jakob en zijn familie 66 zielen tellen als zij uit Kanaän vertrekken. Nou zit dat getal 66 mij niet zo lekker. Buiten dat het aardig in de richting komt van het getal 666, wijst het naar het menselijk handelen van de aartsvader Jakob. Het getal zes is immers het getal van de mens en wijst naar de zesde dag, de dag waarop hij door God werd geschapen. 

Nu is het bijzondere, dat als Jakob en de zijnen naar dat land van overvloed gaan waar hij zijn geliefde zoon weer zal zien, dat getal veranderd in 70. Jozef en zijn gezin bestaan uit vier mensen, nu is 66+4 zoals u weet 70. Dit is duidelijk een verwijzing naar de volheid van de Schepper zelf, Hij die op de zevende dag rustte van al Zijn scheppingswerk. Ook is het een getal van het volbrachte verlossingswerk van Jezus. De Schepper God rust op de zevende dag in het graf, om op de eerste dag van de week, weer te gaan werken voor Zijn verloste kinderen. Hiermee wordt de tocht die Jakob onderneemt van Kanaän naar Egypte niet een menselijke onderneming. Hier is het God zelf die hen als Zijn zendingsvolk de komende eeuwen in dit grote rijk gaat gebruiken om Zijn eeuwig evangelie aan de wereld bekend te maken.

 

Vergeet niet broeders en zusters dat ook wij leven in een wereld waar een heerser de scepter zwaait op wie het getal 666 van toepassing is. Waar wij door God geplaatst zijn om datzelfde eeuwig evangelie te verkondigen. Naarmate de tijd van de wederkomst nadert zal dat getuigenis luider en met meer nadruk moeten worden verkondigd. Wij hebben niet veel tijd meer!

 

Piet Westein

 

P.S.

Wie voelt zich geroepen om mee te getuigen van zijn [haar] geloof?