07 De roeping van Elisa

Als Elia van Horeb vertrekt vindt hij op een gegeven moment Elisa, die hij moet zalven als zijn opvolger. Zodra hij hem ziet werpt hij hem zijn mantel toe. Het lijkt nu, vandaag de dag, misschien een vreemde manier om iemand op te roepen voor een sollicitatiegesprek om profeet te worden. Maar er gebeuren twee dingen, de profeet zegt eigenlijk tegen Elisa: Als je deze mantel oppakt en hem draagt, heb je de functie die bij deze mantel hoort. Het tweede is, dat je al de schatten die je vader en jij bezitten moet verlaten en de vervolging en de armoede die ik meemaak ook zult ondergaan. Elisa is aan het ploegen met twaalf span ossen. Die man moet wel eindeloos rijk zijn, als je bedenkt dat de meeste boeren in die tijd zelf geen enkel span ossen bezaten, daar waren zij te arm voor. Zij huurden die in de ploegtijd. Een heel dorp had zodoende soms maar twee of drie span ossen voor het zware werk.

 

Dat getal twaalf wijst dan ook gelijk op het feit dat de profeet geroepen werd om te werken voor de twaalf stammen van het volk van Israël. Deze jonge man wordt uitgenodigd om al zijn rijkdom op te geven en het leven te gaan leiden van een door de koning vervolgde armoedzaaier en profeet. (Denk aan het verhaal van de rijke jongeling). Wat Elisa daarna doet is nogal verbazingwekkend. Hij neemt één span ossen en daar maakt hij een vredeoffer van, wat zij gezamelijk opeten.

 

Als die twaalf span wijzen op de twaalf stammen van Israël, wat betekent het dan dat er één verdwijnt? (opgeofferd wordt). Toen God aan ieder van de twaalf stammen een erfdeel in Israël aanwees maakte Hij een uitzondering voor de stam van Levi. Deze stam zou gewoon tussen de andere stammen wonen, zij zouden geen eigen stamgebied krijgen. God zei van deze stam: Ik ben zijn erfdeel. Zo was dat ook voor Elisa, hij verloor misschien zijn aardse rijkdom, maar verkreeg een hemels koninkrijk. Zo is het ook voor iedere christen in onze tijd, wij moeten deze wereld met al zijn aardse schatten loslaten. Ons deel is een eeuwig, hemels koninkrijk. God heeft ons geroepen een koninkrijk van priesters te zijn, een heilige natie, eigendom van God. Hoewel wij hier en nu burgers zijn van een aards koninkrijk, en ons ook naar de wetten van dat land moeten voegen, zolang zij niet indruisen tegen de geboden van God, is onze gehoorzaamheid toch aan een hemelse koning.

 

Moeten wij ook naar Horeb?

 

De reis van Elia naar Horeb staat natuurlijk in het licht van de ontmoeting die het volk van Israël met God op deze berg had. Het is bij deze berg dat het volk twee dingen ontvangt. Zij ontvangen van God de tien geboden, eerst mondeling en daarna op twee stenen gegrift. Daarna overdekt de wolkkolom hen, wat een beeld is van de Heilige Geest die over hen wordt uitgestort. De God die zich aan hen bekend maakte als: Ik ben de Here uw God, komt in hun hart wonen door Zijn Geest, zodat Zijn wetten voor altijd effectief zullen zijn en zij God kunnen kennen als een rechtvaardig God. Elia heeft ook die ervaring, om na een woestijnreis van veertig dagen, Gods stem te horen en Zijn almacht te ervaren.

 

Als en het volk van Israël en Elia typen zijn van ons die in de eindtijd leven, dan is het niet meer dan logisch, dat wij ook in onze tijd, en als kerk en als individu die weg naar de berg van de wetgeving maken, om God te leren kennen als Wetgever en Verlosser. Wij hebben in het begin als gemeente/kerk alle fouten gemaakt die het volk van Israël ook maakte. Ook wij hebben in de woestijn gedwaald, voordat wij God als Wetgever en Verlosser leerden kennen. Ook nu nog moet Hij ons door Zijn Geest leiden om wet en genade op een juiste manier te verstaan en te verkondigen. Het antwoord is daarom ja, ook wij moeten God en Zijn wet leren kennen. Daarbij moeten wij die wet zien als een openbaring van het karakter van onze Schepper. Als wij de wet niet kennen, zullen wij ook nooit de diepte van onze zonden kennen. Als wij onze zonden niet kennen en erkennen, dan is er ook geen gevoel van dankbaarheid voor onze verlossing, en zullen wij nog velen jaren dwalen in de wildernis van deze aarde. Daarom moeten wij en de wet en de genade samen bestuderen, zodat de ervaringen van het volk Israël en de ervaring van Elia ook de onze kunnen worden.

 

Wij zullen dan net als zij een koninklijk priesterschap zijn, en de profetieën van Elia en Elisa voor onze tijd, verkondigen. U ziet het, als u God ontmoet geeft Hij u altijd een opdracht.

 

Piet Westein