Inleiding
Er is een manier van leven waarin je veel ziet, veel weet en toch de kern mist. Je leest de Bijbel, je hebt meningen, je hebt overtuigingen opgebouwd. En juist daarin schuilt een gevaar dat zelden wordt herkend. Want wie ervan overtuigd is dat hij ziet, stelt zichzelf nauwelijks nog de vraag of hij misschien blind is geworden. Mensen die vertrouwd zijn met Bijbelwoorden, met religieuze taal, met vaste overtuigingen, maar die ondertussen het werk van God niet meer herkennen wanneer Hij recht voor hen staat.
Johannes 9 vers 39: Jezus spreekt hier geen bemoedigende woorden, maar een oordeel dat snijdt. Niet over de wereld, maar over mensen die menen God te kennen.
“Jezus zei: Ik ben gekomen om te oordelen: mensen die blind zijn, zullen gaan zien en van mensen die kunnen zien, zal blijken dat ze blind zijn.”
Dit vers vraagt om zelfonderzoek. Niet om instemming, maar om eerlijkheid.
“Zeker weten” kan verblinden.
In Johannes 9 staat een man centraal die vanaf zijn geboorte blind was. Hij vraagt niets. Hij belijdt niets. Hij ontvangt.
Zijn genezing zet een keten van reacties in gang, vooral bij de religieuze leiders. Zij onderzoeken, ondervragen, analyseren. Maar niet om te begrijpen, alleen om hun eigen gelijk te beschermen.
Hun probleem is niet gebrek aan licht, maar een teveel aan zekerheid.
Wanneer Jezus aan het einde zegt dat zij blind zijn, reageren zij verontwaardigd.
“Wij zijn toch niet blind?” Johannes 9:40
Dat is de kernvraag. Niet of iemand blind is, maar of hij dat zelf nog kan erkennen.
Jezus zegt: ”Als jullie blind waren, zouden jullie niet schuldig zijn. Maar omdat jullie zeggen dat jullie kunnen zien, zijn jullie schuldig.” Johannes 9:41
Blindheid die zichzelf niet kent, is hardnekkig.
Paulus: overtuigd en toch mis.
Voordat Paulus tot bekering kwam, heette hij Saulus. Hij was geen twijfelaar. Hij handelde uit overtuiging. Uit Schriftkennis. Uit ijver. Hij meende God te dienen. Zijn ijver stond buiten kijf.
“Ik meende zelf dat ik hard moest optreden tegen het geloof in Jezus van Nazareth.” Handelingen 26:9
Zijn blindheid zat niet in onwetendheid, maar in interpretatie.
Hij had God ingepast in zijn denkraam. En alles wat daarbuiten viel, bestreed hij.
“Hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets.” Handelingen 9:8
Op de weg naar Damascus wordt hij letterlijk blind. Zijn ogen gaan open, maar hij ziet niets.
Drie dagen lang wordt Paulus stilgezet.
Dat moment is geen straf, maar genade. Want pas wanneer zijn eigen zicht wegvalt, kan God hem een nieuw perspectief geven.
Alles wat hij dacht te zien, blijkt onvoldoende. Pas wanneer hij niets meer ziet, kan God hem iets nieuws laten zien.
Petrus: overtuigd, maar nog blind.
Petrus beleed zonder aarzelen: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” Mattheüs 16:16
Hij zag wie Jezus was. En toch begreep hij niet wat dat betekende. Toen Jezus sprak over lijden en sterven, verzette Petrus zich. Hij wilde een Messias zonder kruis. Jezus moest hem scherp corrigeren:
“U bedenkt niet de dingen van God, maar die van mensen.” Mattheüs 16:23
Zijn diepste blindheid kwam aan het licht in de nacht van de verloochening. Petrus was overtuigd van zijn trouw, maar zag zijn eigen zwakheid niet. Pas toen hij bitter huilde, begon hij werkelijk te zien.
Na de opstanding brengt Jezus hem te
rug bij de kern: “Hebt u Mij lief?” Johannes 21:17
Nog meer Bijbelse voorbeelden:
Jona: Hij kende God, sprak namens God, maar begreep Gods hart niet. Hij zag Ninevé als vijand, maar niet als mensen voor wie God bewogen was.
De rijke jongeling: Hij hield de geboden en dacht op de goede weg te zijn. Maar toen Jezus zijn hart raakte bij zijn bezit, bleek wat werkelijk belangrijk was.
Simson: Gezegend met kracht, maar blind voor zijn eigen zwakheid. Zijn fysieke blindheid aan het einde wordt een pijnlijk symbool van zijn eerdere geestelijke blindheid.
Jakob: Manipuleerde, plande en dacht het leven te kunnen sturen. Pas bij Pniël, gewond en gebroken, begon hij werkelijk te zien wie God was.
Wat doet blindheid met ons vandaag.
De wereld kan ons blind maken voor geestelijke waarheden en voor wat echt belangrijk is.
De wereld is luid. Ze vraagt onze aandacht, onze energie, onze mening. Ze meet waarde af aan zichtbaarheid, snelheid en succes.
Maar blindheid komt niet alleen van buiten. Ze groeit ook van binnen.
Door gewenning.
Door religieuze routines.
Door gelijk willen houden.
Door selectief lezen.
Door luisteren naar stemmen die bevestigen wat we al denken.
Jezus zegt: “De lamp van het lichaam is het oog.” Mattheüs 6:22
Waar kijken wij naar. Wat vult onze gedachten. Wat bepaalt onze keuzes. Dat zijn geen kleine vragen, want wat wij blijven aankijken, gaat ons vormen. Het zal ons hele innerlijk beïnvloeden.
Waar richten wij ons zicht op?
Op succes
Op veiligheid
Op gelijk.
Op mensen.
Op systemen
Of op Christus?
Jezus zegt: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” Mattheüs 6:21
De sleutel tot echt zien.
De sleutel om onze ogen gericht te houden op wat er echt toe doet, is nabijheid bij Jezus. Niet afstandelijk geloven, maar blijven kijken naar Hem. In Zijn woorden. In Zijn weg. In Zijn zelfopoffering.
Wie dicht bij Hem blijft, leert onderscheiden. Wie Hem volgt, wordt steeds opnieuw gecorrigeerd. Wie Hem vertrouwt, hoeft niet alles te begrijpen om toch te gehoorzamen.
Echt zien vraagt om overgave. Om het loslaten van het idee dat wij het overzicht hebben. Om het durven zeggen: Heer, leer mij opnieuw kijken.
“Open mijn ogen, zodat ik zie hoe geweldig Uw wet is.” Psalm 119:18
Echt zien betekent dat je bereid bent om zekerheden los te laten. Dat je accepteert dat God groter is dan je theologie. Dat waarheid soms eerst ontregelt voordat zij bevrijdt.
De Farizeeën wilden controle. De genezen man had alleen dankbaarheid. Dat maakt het verschil.
Ter overdenking
De vraag die Johannes 9 vers 39 ons stelt, is ongemakkelijk maar noodzakelijk:
Durf ik te erkennen dat ik misschien minder zie dan ik denk.
Geestelijk zien begint niet bij kracht, maar bij kwetsbaarheid. Niet bij gelijk, maar bij overgave.
Niet bij controle, maar bij vertrouwen.
Wie zichzelf ziet als ziende, loopt het grootste risico om blind te worden. Maar wie zijn blindheid erkent, staat op het punt om te gaan zien.
“Ik ben het Licht der wereld. Wie mij volgt, hoeft nooit meer in het donker te leven. Hij zal wandelen in het Licht dat leven geeft” Johannes 8:12
De vraag is niet of het Licht schijnt.
De vraag is of wij bereid zijn erin te gaan staan.
“We leven met Hem vanuit geloof, niet vanuit wat we zien.” 2 Korinthe 5:7
Gerda Huizinga
