06. Hosea - Bekeren moet je zelf doen (Hosea 7–8)

06. Hosea -Bekeren moet je zelf doen 

Hosea 7-8

 

De studie laat zien hoe het volk van Israël telkens terugvalt in zonde en welke ernstige gevolgen dat heeft. Tegelijk klinkt een actuele oproep: ieder mens moet zich persoonlijk en oprecht tot God bekeren.

 

De natie loopt achter de zonden aan

Keer op keer heeft God Zijn volk verlost uit hun benauwdheden. Maar nauwelijks zijn zij verlost of zij vallen weer in hun oude zonden terug. Zij stelen en beroven elkaar en zij realiseren zich niet dat God hun zonden in gedachtenis houdt. Het zijn niet alleen de zonden van het volk van Israël die God in gedachtenis houdt. Wij allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, zegt de profeet. Het is te makkelijk om met een vinger naar de zonden van het volk van Israël te wijzen en dan te zeggen: Wij aanbidden geen gesneden beelden, wij zijn beter. Iedere generatie in ieder land heeft zijn eigen favoriete zonden waar vrijwel de hele natie achteraan loopt.

 

In plaats dat de koning en de priesters het volk beteugelen en hen de rechte weg wijzen, gaan zij hen voor in de zonden en geven zij er hun bijval aan. Dit is ook niet nieuw onder de zon. De zonden van hen die in hoogheid gezeten zijn, zijn door alle eeuwen heen gevolgd door het gewone volk. Als God ons een hoge leidende positie geeft, is dat een zegen. Maar met die zegen komt ook een grote verantwoordelijkheid. Alle ogen worden gericht op hen die een hoge positie vervullen.

 

Nu gaat Hosea over op een vergelijking. Het tienstammenrijk wordt vergeleken met een oven, die, als hij heet is, verder niet opgestookt wordt en toch steeds heter wordt. Zo zijn de koningen van Israël, zegt de profeet, zij zijn heet en worden nog verder verhit door de wijn die men hen te drinken geeft. Zo is een ieder, zegt de profeet, die zijn hart voedt met het kwaad en zich verlustigt in de zonden die hij pleegt. Efraïm, hier het tienstammenrijk, wendt zich tot de andere volken om zich heen. Zij nemen alle kwade gewoonten van hen over. Iedere afgod met haar verfoeilijke dienst wordt bij hen gevonden. De dienst van de Schepper God verdwijnt onder het volk. Het is of er een grijs deken over hen ligt.

 

Het volk is te trots om zich tot hun God te bekeren. In hun hoogmoed verheffen zij zich openlijk tegen hun Maker. Verder vergelijkt Hosea zijn volk met een onnozele duif zonder verstand. Zij zoeken hun hulp en heil in Egypte. Als Egypte niet kan helpen, gaan zij kijken of het Assyrische rijk soms uitkomst kan bieden. Het volk beseft niet dat, zodra zij hun hulp van andere naties verwachten, God hen als een vogelaar in Zijn net vangt. God spreekt een “Wee u” over hen uit, omdat zij hun heil niet bij Hem zoeken, maar bij de afgodendienaars.

 

Het volk is zo ver afgedwaald dat zij hun heil en welvaart denken te kunnen beïnvloeden door zichzelf te kerven met messen. Door deze zelfverminking denken zij dat zij een betere oogst zullen krijgen. Maar als de plagen over hen komen, zal men in de hen omringende landen lachen. Men zal de spot met hen drijven.

 

Aankondiging van het oordeel over de tien stammen – Hosea 8

God roept Zijn profeten op om alarm te slaan, zij moeten op de bazuin blazen alsof er een vijandelijk leger aankomt. Maar de vijand waarvan hier sprake is, dat is de satan met zijn demonen. Die zijn het die optrekken tegen Zijn volk om hen te verleiden tot zonde. De letterlijke vijand komt ook, omdat zij hun God hebben verlaten en daarvoor in de plaats afgoden hebben gediend. Nu roepen zij in hun nood tot de God van hun vaderen. Zij zeggen: O God, wij kennen U toch? Hoor naar ons. Zij willen dat God naar hen luistert, zonder dat zij zich van hun boze daden bekeren. De koning die zij hebben, is niet door God aangesteld. Zij hebben God er zelfs niet in gekend. Nu hebben zij te maken met letterlijke en geestelijke tegenstanders en er is niemand die hen redt.

 

De rijkdommen in zilver en goud die God hen in Zijn barmhartigheid heeft gegeven, hebben zij gebruikt om afgoden mee te vereren. Zelfs dat gouden kalf waarvoor zij zich nederbuigen en dat zij als een god aanbidden, kan hen niet helpen. Het is immers maar een met de hand vervaardigd beeld zonder kracht. Alle profeten die God hun zond, hebben tegen deze gouden kalveren geageerd, maar het volk noch zijn koningen hebben willen luisteren.

 

Wie wind zaait, zal storm oogsten

Gods volk heeft wind gezaaid en nu is het tijd dat zij de stormwind zullen oogsten. De gouden kalveren zullen tot splinters worden, de oogst zal falen, de nieuwe wijn waar zij ieder jaar zo naar uitkijken, zal zijn vrucht niet geven. Wat het land dan nog zal opbrengen, zullen hun vijanden van hen weghalen. Zelfs al geven zij schatten aan de Assyriërs, dan nog zullen die hen niet helpen. Een ezel weet beter wie zijn meester is dan het volk van Israël weet wie de Heere is die zij moeten dienen. Maar diezelfde Heere, die Koning der koningen is, zal Zijn rechtsgeding over hen voeren. Zijn uitspraak zal vreselijk zijn als zij zich niet bekeren.

 

Het land is vervuld met altaren van vreemde goden waar het hele land zijn zonden pleegt, ook al heeft God hun duizendmaal Zijn geboden voorgeschreven. Dagelijks heeft Hij Zijn geboden via de profeten laten horen. Toch brengt het volk nog steeds offers aan de afgoden en zijn hun liefdemalen aan vreemde goden gewijd. Nu zal God hen tuchtigen, hen straffen om hun overtredingen. Zij zullen terugkeren naar Egypte, zegt Hosea. Of dit letterlijk is bedoeld of dat dit verwijst naar de Babylonische ballingschap, weet ik niet, maar de straf op de zonden is onafwendbaar als zij zich niet van harte bekeren. Het koninkrijk Juda heeft veel versterkte steden gebouwd en denkt daardoor de vijand wel te kunnen weerstaan, en toch zullen al die vestingen worden verbrand.

 

De oproep van tweeënhalf duizend jaar geleden aan het volk van Israël is ook aan ons gericht. Het oordeel in onze tijd gaat nu ook over iedereen komen die zich niet oprecht tot God bekeert. Ook nu is er een Babylonisch rijk dat heerst in de harten van vele mensen. Ook nu gaat de boodschap uit over de hele aarde: Bekeer u, want het Koninkrijk van God is nabijgekomen. Ga uit van haar, Mijn volk, of val onder haar plagen.

 

Piet Westein

 

P.S. 

Deze studie wil een ernstige waarschuwing laten horen en tegelijk een liefdevolle oproep doen om persoonlijk terug te keren tot de Heere. Op bekering kun je niet wachten tot een ander begint, bekeren moet je zelf doen.