49. Mattheus' Waarheid - Nogmaals brood voor de schare (Mattheüs 15:29-39)

49. Mattheus' Waarheid - Nogmaals brood voor de schare

Mattheüs 15:29-39

 

Deze studie beschrijft de tweede wonderbare spijziging en de geestelijke lessen die daaruit voortkomen. Daarnaast wordt gewezen op de verantwoordelijkheid om het Woord van God te delen.

 

Jezus heeft Zijn Evangeliewerk in het Syro-Fenicische gebied volbracht. De boodschap is aan de heidenen gebracht en hopelijk hebben ook de discipelen hiervan geleerd. Nu moeten zij de weg terug afleggen voordat zij weer in Galilea aan het werk kunnen. Als zij in hun thuisgebied zijn gearriveerd, stroomt de schare direct weer toe.

Zodra Jezus hen ziet, begint Hij hun te leren. Naar Zijn gewoonte gaat Hij met Zijn volgelingen de berg op, zodat zij Zijn stem goed kunnen horen. Er is geen tekort aan zieken, lammen en blinden. Zij worden allen tot Hem gebracht. Niet één van hen die Hem dat in geloof vraagt, wordt afgewezen. Hij geneest hen allen.

Nadat zij drie dagen met Hem hebben rondgetrokken, is het voedsel dat de schare bij zich had op en zij beginnen honger te krijgen. Jezus beseft dat wel degelijk. Hij beseft dat als Hij hen nu wegstuurt zonder voedsel, de zwakkeren onder hen hun huis niet zullen halen en misschien van honger zullen sterven. Hij, die de hemel en de aarde geschapen heeft, maakt Zijn zorgen kenbaar aan Zijn discipelen.

Deze zien slechts de onmogelijkheid om in zo’n eenzame plaats aan brood te komen. Op de vraag van Jezus hoeveel broden zij hebben, antwoorden zij dat zij zeven broden en enkele vissen hebben. Nadat Hij, in Wie alle macht in hemel en op aarde is, hen bevel heeft gegeven om de schare op een overzichtelijke manier te laten zitten, begint Hij het brood te breken en het aan Zijn discipelen uit te delen, die het op hun beurt weer aan de schare uitdelen.

Wij weten het moment niet wanneer het brood wordt vermenigvuldigd. Is dat als Jezus het aanraakt, of is dat als de discipelen het uitdelen? Voor de schare maakt het niet uit, zij worden allemaal verzadigd. In dit geval zijn het vierduizend mannen die erdoor gevoed worden, de vrouwen en de kinderen telt men niet mee. In mijn ogen, en misschien in de uwe, een vreemde zaak. Maar het moge duidelijk zijn dat het een grote schare was.

Het opvallende is misschien dat bij de spijziging van de vijfduizend er vijf broden waren en hier bij de vierduizend zeven broden voorhanden zijn. Het lijkt er wel op dat hoe meer wij mensen denken te kunnen bijdragen aan het werk van God voor ons mensen, des te minder God voor ons kan doen. Zie als voorbeeld de schare die onder het leiderschap van Mozes uit Egypte de woestijn introk. Ook zij werden na drie dagen hongerig. Zij hadden voor die eindeloos grote schare niets om bij te dragen. Omdat zij niets bijdroegen, kon God Zijn almacht tonen en hen veertig jaar met hemels brood verzadigen.

Zo is het ook met het Evangelie van het Koninkrijk van God. Het kan zijn dat de evangelist met een universitaire opleiding, een gouden tong en een groot budget minder succes heeft dan een serieus gelovige die overtuigd is van zijn totale afhankelijkheid van God voor zijn succes in de evangelieverkondiging.

Als de maaltijd is afgelopen, blijkt dat er zoveel brood is uitgedeeld dat er nog zeven manden met brokstukken zijn overgebleven. Iedereen is zeer tevreden, behalve misschien de bakkers in die buurt.

Nu is het de tijd om de schare naar huis te sturen. Zij hebben hun buik vol en de Evangelieboodschap ligt nog vers in hun geheugen. Nu is het de tijd om hen te laten gaan, zodat zij die boodschap aan de hele natie kunnen meedelen, zodat de boodschap, net als het brood, kan worden vermenigvuldigd. Jezus en Zijn naaste discipelen gaan weer eens in de boot en varen weg naar het gebied van Magadan.

Daar aangekomen staat daar een groep Farizeeën en Schriftgeleerden te wachten. Zij hebben een vraag. Zij leggen die vraag aan Hem voor, aan Hem die iedere dag grote wonderen door de macht van God doet. Zij vragen: wij zouden graag een wonder uit de hemel zien, zodat wij in U kunnen geloven.

Het antwoord van Jezus zal hen net zo bevreemd hebben als mij en misschien u. Hij, die iedere dag vulde met wonderen, zegt: jullie zien iedere dag de wonderen van de natuur bij zonsopkomst en zonsondergang. Dat moet voldoende zijn. Jullie kunnen aan de hemel zien wanneer het gaat regenen. Kunnen jullie niet aan Mijn werken zien en aan Mijn woorden horen dat Ik de Messias ben?

Het enige teken uit de hemel dat jullie generatie nog zal zien, is het teken van Jona de profeet. Jona was drie dagen en drie nachten in het zeemonster. Zo zal ook de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. Zonder verder met hen te redetwisten gaat Hij van hen weg.

Ik vraag mij af, toen Jezus na drie dagen uit het graf opstond, of zij zich deze uitspraak hebben herinnerd en zich hebben bekeerd. Ik betwijfel het, want wij mensen zijn hardleers.

Wat doen wij met al dat brood, het Woord van God, dat wij dagelijks ontvangen? Houden wij dat voor onszelf of delen wij dat met de schare die daarnaar hongert? God geeft ons die woorden toch niet voor niets. Ik bedoel het Woord van God, het hemels manna, kost ons niets, maar het komt wel met een grote verantwoording. In de woestijn bedierf het als men er een dag geen gebruik van maakte. Ik denk dat het Woord van God ook in ons bederft als wij het niet met elkaar delen.

Daarom, roep het uit, schreeuw het desnoods van de daken, zodat iedereen het zal horen. Of zij het aannemen of niet, is niet onze zaak. Wij zijn geroepen om het uit te strooien als graan op de akker. Laten wij hopen dat het opkomt en veel vrucht draagt.

 

Piet Westein

 

P.S.
Laten wij niet te gauw moe worden van dat zaaien. Ik weet ook wel dat het binnenhalen van de oogst leuker is, maar het Woord zegt dat het oogsten het werk van de engelen van God is