48. Mattheus' Waarheid - Een buitenlandse reis
Mattheüs 15:21-28
Deze studie beschrijft de ontmoeting van Jezus met de Syro-Fenicische vrouw. Daarbij wordt de geestelijke les benadrukt van geloof, volharding en de verantwoordelijkheid om het Evangelie wereldwijd te verkondigen.
Hoewel Jezus Zijn werk als Geneesheer en Profeet hoofdzakelijk uitoefent binnen de grenzen van het beloofde land, zien wij in dit stukje dat Hij, die de hele wereld schiep, Zich ook over die hele wereld wil bekommeren. Hij, de Zoon des mensen, gaat op weg naar een landstreek die net boven Israël ligt, in het gebied dat nu bekendstaat als Libanon. In de tijd van Jezus waren vooral de steden Tyrus en Sidon bekende handelssteden in dat gebied. Daar deze landstreek reeds lang als deel van Syrië werd gezien en werd bevolkt door de Feniciërs, noemde men het meestal Syro-Fenicië.
Zodra Hij daar in dat gebied arriveert met Zijn discipelen, komt daar een vrouw naar Hem toe met de vraag om hulp voor haar dochter, die kennelijk lijdt aan een ziekte die haar dwingt om het bed te houden, Marcus 7:24-30. Maar waar de hulpvraag vooral op gericht is, is dat zij verlost mag worden uit de klauwen van de demon die haar in zijn greep heeft.
De discipelen schamen zich voor deze vrouw die hen constant naroept. Zij vragen Jezus om haar weg te zenden. De reactie van Jezus is aanvankelijk een stilzwijgen. Maar uiteindelijk reageert Hij met de woorden: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël. Maar deze afwijzing zorgt er slechts voor dat zij voor de Verlosser neerknielt en uitroept: Heere, help mij.
Bij een zwakkere ziel zou Jezus onmiddellijk hebben ingegrepen, maar daar Hij, die de harten kent, haar vasthoudend geloof zag, grijpt Hij de gelegenheid aan om én de discipelen én ons een les te leren in volharding. Hij lijkt haar totaal af te wijzen met de opmerking dat het niet goed is om het brood van de kinderen aan de honden te geven.
Ondanks deze verdere afwijzing vat de vrouw hoop en wijst Jezus erop dat hoewel de Joden de heidenen zien als honden, die honden ook wel eens wat kruimels eten die van de tafel van de kinderen van het koninkrijk afvallen. Zij is tevreden met wat kruimels, zegt zij. Het hart van Jezus wordt met ontferming bewogen. Hij roept uit: O vrouw, groot is uw geloof. Wat u wenst, wordt ook vervuld. Bij haar thuiskomst blijkt haar dochter verlost te zijn van de demon, zij ligt gezond te bed.
De reden van de reis
Israël is groot genoeg voor Jezus om Zijn energie daar kwijt te kunnen, zou je zeggen. Zo is het ook vandaag de dag. Wij kunnen in ons eigen land ons hele leven evangeliseren als wij dat willen, en dan nog zouden wij tijd te kort komen. Maar het bevel van Jezus zelf luidde, vlak voordat Hij ten hemel opvoer: Ga dan uit in de gehele wereld en verkondig het Evangelie aan alle volkeren en stammen en talen en doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Leer hun alles wat Ik u geboden heb. Dit betekent dat wij geen volk uit kunnen sluiten. Wij hebben voorlopig, voor de rest van ons leven, genoeg werk binnen Zijn Koninkrijk om ons niet te vervelen.
Het gaat in dit verhaal om twee vrouwen. In de profetie staat een vrouw voor een kerk, of anders gezegd een religieuze macht. Deze twee vrouwen staan dus voor twee kerken, waarvan er één door een demon bezeten is. De vraag is waar zij voor staan en hoe wij ze kunnen herkennen.
De ene vrouw, de moeder van het zieke meisje, heeft kennelijk genoeg kennis van Jezus opgedaan om Hem op te zoeken als Verlosser, niet alleen als Geneesheer, maar ook als Iemand die de macht heeft over de boze geesten die ons niet toestaan om ons tot God te wenden om verlost te worden van de zonden waartoe satan ons aanzet. De oudere vrouw wordt dan een beeld van het oude volk van Israël. Dit is een volk dat de waarheid kent en de ware Schepper, God, als hun Verlosser ziet.
De jonge vrouw zijn dan de heidenen die de ware God nog niet kennen. Zij zijn nog gekneld in de banden die satan om hen heen heeft gesmeed als een dodelijke ziekte. Het is slechts de door God gezonden Messias die hen daarvan kan bevrijden.
Nu, in onze tijd, is het de christelijke kerk die het meeste licht heeft en daarom voor onze tijd de oudere vrouw is. De jonge vrouw voor onze tijd zijn zij die de Heere nog niet kennen. Het zijn wij die het grote licht gezien hebben die deze zondezieke mensen naar de Heere mogen leiden, zodat zij ook in dat licht mogen wandelen en verlost mogen worden van de banden van satan en het pad der gerechtigheid mogen vinden en daarop mogen wandelen.
Vergeet niet dat met meerdere kennis ook een grotere verantwoordelijkheid wordt gegeven. De kennis van de Verlosser komt altijd met verantwoordelijkheid. Laten wij vooral die les van deze reis van Jezus leren, dat ieder gebed dat wij in geloof voor een ander opzenden door God wordt gehoord. Satan beeft en is verschrikt voor ieder gelovig kind van God dat voor een ander mens een ernstig gebed opzendt naar de Vader. De boze weet dat hij machteloos staat tegenover een oprecht kind van God die het goede zoekt voor een ander in ernstig gebed.
Piet Westein
P.S.
Vergeet vooral niet dat een christen geen eelt op zijn ziel mag hebben, maar het wel op zijn knieën moet krijgen van al dat knielen in het gebed.
