47. Mattheus' Waarheid - Ga nu eerst je handen maar wassen
Mattheüs 15:1-9
Deze studie gaat over de confrontatie tussen Jezus en de Farizeeën over reinheid en overleveringen. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de reinheid van het hart en het gebruik van onze woorden.
Jezus is net met Zijn discipelen weer teruggekomen in Gennesaret, nadat Hij een menigte van vijfduizend mensen heeft gevoed met vijf broden en twee vissen en over het water gewandeld heeft. Direct als men dat hoort, gaat dit van mond tot mond. De rust die Jezus voor Zichzelf en Zijn discipelen hoopte te vinden, verdwijnt. De hoeveelheid mensen die Hem tot nog toe volgden, is niets vergeleken bij wat nu gebeurt. Zeeën van mensen zoeken Hem, nu niet alleen voor de wonderen van genezing, maar ook voor het wonder van de vermenigvuldiging van het brood.
Nu was er ook een groep die helemaal uit Jeruzalem kwam. Zij hadden een speciaal doel. Deze groep bestond uit Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij kwamen om aan de scharen te laten zien dat deze nieuwlichter nooit de Messias kon zijn. Hij hield zich immers niet aan de overlevering van de ouden. Al die overleveringen die het voorgeslacht had opgeschreven en als absoluut bindend werden gezien, werden door deze rondtrekkende Genezer overtreden. Zij zouden Hem als charlatan openbaren.
Zij komen daarom direct bij Jezus met de vraag over rein en onrein. Waarom overtreden Uw volgelingen de voorschriften van de ouden, vragen zij Hem. Zij eten hun voedsel zonder eerst hun handen te hebben gewassen. Nu is het wassen van onze handen een goede gewoonte, dit moeten wij vooral blijven doen. Maar is dit net zo belangrijk als een reine geest hebben die onze omgang met onze naaste bepaalt?
Hoe dan ook, Jezus antwoordt met een wedervraag. Jullie maken jezelf ook schuldig, niet alleen aan de overlevering, maar zelfs aan het gebod van God. Het gebod van God luidt: eer uw vader en uw moeder, wie dit niet doet, verdient de dood. Toch hebben jullie dit gebod door jullie overleveringen zo verdraaid dat als iemand zijn vermogen aan de tempel nalaat in zijn testament, hij zijn ouders niet meer financieel mag ondersteunen, omdat dat geld al voor de tempel van God bestemd is. Hiermee beroof je het gebod van God van zijn kracht. Daarom lijken jullie wel heilig, maar jullie lippen zijn onrein omdat jullie de overleveringen van het voorgeslacht boven de wetten van God stellen.
In de mond of uit de mond
Mattheüs 15:10-20
Het verdere van de reactie van Jezus geeft Hij aan de schare. Hij, die Zelf de Wetgever is, zegt tegen Zijn leerlingen: niet wat de mond binnen gaat maakt de mens onrein, maar dat wat de mond uitgaat. Nu was het in Israël zo dat als je iets wat onrein was aanraakte of at, die onreinheid automatisch op jou overging. De conclusie van de Farizeeën lijkt daarom zeker niet onterecht. Maar Jezus wijst én de Farizeeën én het volk erop dat echte onreinheid een onreinheid van het hart is. En daar God het hart aanziet, wordt dat zwaarder gerekend dan dat wat er met het vlees gebeurt.
Wat er in de mond gestopt wordt, verlaat het lichaam weer te zijner plaatse en wij mogen hopen dat het ons lichaam niet te veel schade toebrengt. Maar als wij onze tong niet in toom houden en ondoordachte taal bezigen, kan het zomaar zijn dat wij niet alleen onszelf beschadigen, maar ook onze naaste verdriet kunnen doen en hem beschadigen. Dat is erg, maar het is nog erger als wij beseffen dat wij daarmee ook de Schepper van die medemens belasteren.
Daarom moeten wij ieder woord dat onze mond verlaat wegen voor de consequenties die onze woorden kunnen hebben. Onze woorden moeten ten alle tijde zo gekozen worden dat zij gesproken worden om op te bouwen en dat zij niemand zullen beschadigen. Alles wat wij doen ter ere van God kan zomaar door een ondoordacht woord krachteloos worden gemaakt als wij geen wacht voor onze lippen plaatsen.
Nu weet ik wel dat de Schrift ook zegt dat wie met zijn lippen niet zondigt een volmaakt mens is. Met andere woorden, iedereen zegt wel eens iets waar je later spijt van hebt. Dat betekent alleen maar dat wij onze uiterste best moeten doen om te voorkomen dat wij daarin niet te vaak vallen.
Laten onze woorden daarom ten alle tijde uit een rein hart worden gesproken. Daarom moet ons hart rein zijn, dan zullen onze woorden altijd een reflectie zijn van wat zich in het hart bevindt. Ik hoop dat u met mij u voorneemt om een wacht voor uw lippen te zetten. Des te minder wij spreken, des te minder wij hoeven te verantwoorden.
Piet Westein
P.S.
Vindt u roddelen over een ander ook zo fijn? Bedenk wel wat voor schade u ermee aanbrengt bij uzelf en bij anderen!
