37. Mattheus' Waarheid - Hoeveel wonderen wilt u zien?
Mattheüs 12:38-45
Deze studie gaat over de reactie van mensen op de wonderen van Jezus, hun ongeloof ondanks wat zij zagen, en wat dit ons leert over ware bekering en geloof in onze tijd.
Een teken gevraagd
Jezus had zojuist een man verlost die in de greep van satans macht was. Deze man was stom, en alsof dat nog niet genoeg was, ook blind. Al zijn kwalen werden door het machtwoord van de grote Heelmeester in één keer weggenomen.
De menigte die Jezus volgde, juichte en gaf God de eer. Maar de Farizeeën en Schriftgeleerden, die ook in Zijn gevolg waren en als kritische toehoorders meeliepen, kwamen in vers 38 naar Jezus toe met de vraag: “Kunt U ons een teken laten zien?”
Als deze mannen, de theologen van hun tijd, de afgelopen dagen hadden opgelet, zouden zij al veel tekenen en wonderen hebben gezien. De man die bezeten was geweest en stom en blind was, stond nog te juichen van blijdschap omdat hij genezen was! Dit wonder had geen van de theologen tot bekering gebracht. Nu wilden zij wéér een teken zien, maar met welk doel eigenlijk? Om te geloven, of om te bekritiseren?
Het antwoord van Jezus
Jezus, Die hun hart kent, antwoordde: “Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van de profeet Jona. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.”
Het was voor onze Grote Leraar totaal zinloos om aan de Schriftgeleerden en Farizeeën nogmaals een hemels teken te geven. Hun hart was zo verhard dat geen enkel wonder hen zou bekeren. Zij hadden in hun hart al besloten dat Jezus bezeten was. Daarmee hadden zij de werking van de Heilige Geest in hun hart afgewezen. Geen enkel teken kon hen nog overtuigen.
Hoe beïnvloeden wonderen ons nu?
“Zalig hij die niet ziet en toch gelooft,” zegt Jezus. Toch zijn er velen die zich discipelen van Christus noemen maar vooral spreken over de wonderen. Er zijn zelfs kerkgenootschappen geheel opgebouwd rondom dat element. Hoeveel wonderen men ook ziet, het is nooit genoeg, men wil er altijd meer.
Jezus verwijst opnieuw naar Jona en zegt dat de inwoners van Ninevé zich bekeerden naar aanleiding van de prediking van Jona, zonder ook maar één wonder te aanschouwen. Zo zou het ook met ons moeten zijn. De prediking van het evangelie van het Koninkrijk van God moet voldoende zijn om ons hart te overtuigen.
Dat wil niet zeggen dat God geen wonderen meer doet of kan doen, maar het mag nooit de grondslag van ons geloof zijn. De volgende persoon die Jezus noemt, is de koningin van Sheba, of zoals hier geschreven staat: de koningin van het Zuiden. Zij ondernam een lange reis, niet om wonderen te zien, maar om wijsheid te ontvangen.
Een leeg hart
Vervolgens gaat Jezus in op een ander thema. Hij spreekt over het door satan beheerste hart van sommige toehoorders, mensen die wel geraakt zijn door Zijn wonderen, maar niet werkelijk veranderd. Zij hebben de stap gezet van het koninkrijk der duisternis naar het koninkrijk van het licht, maar hun hart is nog niet vervuld met de kennis en de Geest van God.
De boze geest die hen had beheerst, is weggegaan, maar het hart staat leeg. Het moet nu worden gevuld met de Geest van God, anders, zegt Jezus, zal die boze geest terugkomen met zeven anderen, erger dan hijzelf. Dan zal het met die mens slechter zijn dan in het begin.
Deze waarschuwing moeten wij goed begrijpen. Het is niet zo dat, wanneer wij ons eenmaal bekeerd en laten dopen, er niets meer kan gebeuren. Na onze bekering blijft de strijd om ons hart doorgaan.
Satan laat geen enkele ziel graag los. Hij zal er alles aan doen om hen die hij verloren heeft weer terug te winnen. Zoals de apostel Johannes schrijft, is het bijna onmogelijk dat iemand die eenmaal bekeerd is geweest en daarna is afgevallen, opnieuw tot bekering komt.
Misschien hebt u het ook in uw eigen leven gezien: vrienden in de kerk met wie u jarenlang optrok, maar die de gemeente verlieten, en daarna veranderde de vriendschap plotseling in afstand of zelfs vijandschap. Het herstellen van zo’n verhouding is, als het al lukt, een lange en moeilijke weg.
Wie hoort werkelijk bij Jezus’ familie?
In de verzen 46-50 die volgen lezen wij dat zelfs de broers en andere familieleden van Jezus aanvankelijk niet tot Zijn trouwe volgelingen behoorden. Toen zij Hem tijdens Zijn prediking wilden spreken, zei Hij: “Dit zijn Mijn broeders en zusters,” en Hij wees op Zijn discipelen en toehoorders.
Pas als wij ware volgelingen van Jezus zijn en de wil van onze hemelse Vader doen, kunnen wij Hem onze oudste Broeder noemen. Ook Maria, Zijn moeder, moest Hem aannemen als haar Verlosser voordat zij werkelijk tot de geestelijke familie van gelovigen kon behoren.
Zo is het ook met ons. Het is niet genoeg om in een christelijk gezin geboren te worden of op te groeien binnen een kerkgemeenschap. Wij moeten, net als Jakob bij de Jabbok, persoonlijk met God strijden en de overwinning behalen om die nieuwe naam “christen” waardig te dragen.
Er wordt wel gezegd: God heeft veel kinderen, maar geen kleinkinderen. Het is een persoonlijke keuze en een persoonlijke strijd die ons bij het kruis brengt. En het is een levenslange strijd, die pas eindigt wanneer wij ons hoofd neerleggen in de rust.
Piet Westein
P.S.
Laat dit u niet bang maken. Die strijd is al voor u gestreden, in de Hof van Getsemane en aan het kruis van Golgotha. De overwinning wordt u toegerekend alsof u die zelf had behaald. U moet die genade alleen willen aannemen.
