28. Oordeel en Genade - Je kunt je eigen kind toch niet doden?
2 Kronieken 28
Een nieuwe generatie op de troon
Een nieuwe generatie neemt plaats op de koningstroon van het rijk van Juda. Zijn naam is Achaz [betekent: bezitter], de zoon van Jotham. Drie generaties voor hem onderwierpen zich aan de wetten van God en luisterden, min of meer, naar Zijn profeten. Je zou denken: dat zijn goede voorbeelden.
Het tegenovergestelde is waar. In Achaz krijgen wij één van de meest zondige en gruwelijke heersers die Juda ooit heeft gehad. In het dal Hinnom, vlak bij Jeruzalem, liet hij altaren oprichten waar hij gegoten beelden opstelde om die te aanbidden, net als de koningen van het tienstammenrijk. Maar hij ging nog verder dan de koningen van Israël: hij offerde zijn eigen zonen op de altaren van de Baäls. Met de Schepper, God, hield hij geen enkele rekening.
Oordelen van God
Het was niet zo dat God hem zomaar zijn gang liet gaan. Hij zond de Arameeërs op Juda af, die het land verarmden door het leeg te roven en vele mensen in gevangenschap mee te voeren. Ook de koningen van Israël voerden oorlog tegen Juda. Zij doodden op één dag honderdtwintigduizend soldaten, waaronder Maäseja, de zoon van koning Achaz. Het leger van Israël voerde tweehonderdduizend vrouwen en kinderen mee naar Samaria.
Een onverwachte daad van compassie
Terwijl het leger van Israël Samaria binnentrekt met de gevangenen en hun buit, komt een profeet van God hun tegemoet. Hij gaat voor hen staan en het hele leger, inclusief de gevangenen, stopt. De profeet neemt het woord en zegt:
“Het is niet door jullie eigen macht en kracht dat jullie deze overwinning hebben behaald. Het is omdat Juda God heeft verlaten, dat de Heer hen in jullie macht heeft overgegeven. Maar deze mensen zijn en blijven jullie broeders en zusters. Als je hen misdadig behandelt, zal God hen wreken en rust Zijn toorn op jullie.”
Dan gebeurt er iets unieks. Heel Israël luistert naar de profeet, belijdt zijn zonde en laat de gevangenen vrij. Daar blijft het niet bij: de mensen die ongekleed waren kregen kleding uit de buit, de gewonden werden verzorgd, en wie niet kon lopen werd op ezels vervoerd. De hele menigte werd teruggebracht naar Jericho, de Palmstad, die bij het rijk van Juda hoorde.
Achaz blijft onbekeerlijk
De ene na de andere ramp treft Juda. De Edomieten, de Filistijnen en zelfs hun broeders, de Israëlieten, vallen hen aan. Het lijkt wel of er niets van Juda overblijft. Maar koning Achaz laat zich niet waarschuwen door deze rampen. Hij blijft de afgoden dienen.
Uiteindelijk besluit hij zijn verlossing te verwachten van de koning van Aram. In die tijd regeerde Tilgath-Pilneser. De Arameeërs stonden nooit bekend als vrienden van Israël, maar toch sluit Achaz een verbond met hen. Hij verzamelt al het goud en zilver dat nog in Jeruzalem te vinden is, zelfs dat van de tempel, en geeft het aan Tilgath-Pilneser om hem gunstig te stemmen.
Maar dit helpt hem niets. De Arameeërs komen wel, maar niet om hem te helpen. Alles wat Achaz bedenkt, mislukt. In zijn wanhoop gaat hij zelfs de goden van Aram aanbidden, want, zo redeneert hij: “Die helpen hun volk en maken hen sterk. Misschien zullen zij mij ook steunen.”
Zijn brutaliteit gaat zo ver dat hij de deuren van de tempel sluit en de dienst van de Schepper-God onmogelijk maakt. Als hij sterft, besluit men dat hij het niet waard is om begraven te worden in de koninklijke begraafplaats van zijn voorvaderen.
Hoe gaan wij om met onze gevangenen?
Als we het leven van koning Achaz overdenken, lijkt het alsof er niet veel lering uit te trekken valt. Toch leert het ons dit: wie God verlaat, ziet zijn leven zelden beter worden. Satan is geen liefhebbende meester. Dan gaan wij onze hoop stellen op mensen of dingen die de loop van de geschiedenis niet kunnen beïnvloeden.
Is het niet bijzonder dat juist het volk Israël, dat al eeuwenlang in zonde leefde en de afgoden diende, in dit geval luistert naar de profeet van God? Zij erkennen hun schuld, krijgen medelijden met hun gevangenen en behandelen hen als broeders en zusters.
Moet het met ons ook niet zo zijn? Mensen die wij misschien zien als onze vijanden, zouden wij met liefde en compassie moeten behandelen. Daarbij moeten we beseffen dat wij zelf net zo schuldig voor God staan als onze tegenstanders. We kunnen alleen vergeving ontvangen als we ook de mensen die ons kwaad deden van harte vergeven en hen als broeders en zusters behandelen.
Laten wij bedenken dat Jezus aan het kruis bad voor degenen die Hem daar hadden vastgespijkerd. Als wij volgelingen van Hem willen zijn, zullen er eerder zegeningen dan vervloekingen van onze lippen moeten komen, ook voor hen die ons kwaad hebben gedaan.
Ik zeg niet dat dit makkelijk is. Onrecht lijden is pijnlijk, maar onrecht doen is dodelijk. Aan ons de keus welke weg wij willen gaan.
Ik wens jullie veel sterkte en wijsheid.
Piet Westein
P.S.
Ik denk dat Juda geschrokken is van de les die zij door Achaz geleerd hebben. De koning die hem opvolgt, heeft een heel ander karakter. Als wij zijn regeerperiode bestuderen, worden wij veel blijer dan bij die van zijn voorganger. Is het niet wonderlijk dat God opnieuw Zijn Vaderhart toont voor Juda, zodra er weer een godvrezende koning op de troon zit?
Op naar de tijd van Hizkia!