27. Oordeel en Genade - Jotham op de troon (2 Kronieken 27:1-9)

27. Oordeel en Genade - Jotham op de troon

2 Kronieken 27:1-9

 

Wanneer de melaatse koning Uzzia tenslotte sterft, wordt zijn zoon, die al die jaren dat zijn vader ziek was als prins-regent de touwtjes in handen had, nu ook werkelijk koning. Zijn moeder heette Jerusa, wat “eigendom” betekent. Deze naam werd vaak gegeven aan mensen die voor geld waren gekocht, iets wat in onze maatschappij onvoorstelbaar is.

Jotham volgt in de stappen van zijn grootvader en zijn vader. Toch blijft het volk nog steeds op de bergen en de heuvels altaren bouwen en daar offeren. Waarom denk ik dat zij dat aan de afgoden deden? Omdat Jotham zo’n angst had voor God en Zijn tempel, dat hij daar nooit kwam. Wij kunnen ons dat wel indenken. Hij had tenslotte meegemaakt wat er met zijn vader gebeurde, toen die probeerde in plaats van de hogepriester een reukoffer in het heilige van de tempel te brengen.

Jotham was een zeer ijverige koning die veel van bouwen hield. Hij versterkte de muren van Jeruzalem zodanig dat de stad bijna onneembaar werd. Ook door het hele land van Juda liet hij versterkingen en torens bouwen.

De Ammonieten versloeg hij in de oorlog en hij maakte hen schatplichtig. Zij moesten hem honderd talenten zilver betalen als belasting, ieder jaar opnieuw. Daarnaast moesten zij ook een deel van hun tarwe en gerst afdragen aan Juda, jaar in jaar uit. Jotham bleef de God van zijn vaderen trouw, ondanks dat het volk de afgoden bleef dienen.

Hier had deze koning krachtiger kunnen optreden. Maar hoe kun je een heel volk dwingen heilig te handelen tegen hun zin? Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij op de troon kwam en regeerde zestien jaar. In vergelijking met zijn vader regeerde hij kort. Hij stierf al toen hij eenenveertig jaar oud was. Waarom hij zo jong overleed, kunnen wij uit de Bijbel niet opmaken. Maar in zijn relatief korte regeerperiode heeft hij veel werk verzet.

 

Laten wij opgaan naar Gods altaren, om daar een dankoffer te brengen

Wij moeten ervoor zorgen dat God vrezen niet uitmondt in angst hebben voor God. De angst die Jotham had, moet niet de onze zijn. Wij mogen vrijmoedig tot God gaan in gebed en onze zonden belijden, zonder angst dat Hij ons zal bestraffen met ziekte of ongeluk.

De uitdrukking die men weleens gebruikt: “God straft gelijk”, is onzinnig. De profeet zegt immers: “De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem.” Die Hem is natuurlijk Jezus. Als God ons nu en hier zou straffen voor onze zonden, dan zou niemand in leven blijven, want: “Het loon van de zonde is de (eeuwige) dood.”

Ons is, ondanks onze zonden — en dat zijn er onnoemelijk veel — het eeuwige leven beloofd, omdat de straf al gedragen is door een Ander, aan het kruis. Mits wij ons realiseren dat wij zondig zijn en dat wij die zonden belijden en laten.

Als wij al een offer willen brengen, moet dat een dankoffer zijn. Wanneer onze lippen onze zonden belijden en onze stem Hem lof toezingt voor Zijn verlossing, zal Jezus Zelf dat in het hemelse heiligdom op het reukofferaltaar doen opgaan als een liefelijke reuk voor Zijn Vader.

Het ware beter geweest als koning Uzzia en zijn zoon Jotham dit hadden ingezien. Dan had Jotham zonder vrees tot God kunnen naderen in Zijn heilige tempel en Hem op gepaste wijze danken.

Ik hoop dat wij van Uzzia geleerd hebben niet met onheilig vuur — dat zijn onze goede daden — voor een heilige God te verschijnen. Dat loopt altijd verkeerd af. Wij kunnen Hem alleen benaderen met de volmaakte werken van Jezus, die ons worden toegerekend alsof wij ze zelf hadden gedaan. In dat geval ziet God ons als volmaakt in Zijn Zoon en zal Hij ons als Zijn kinderen aannemen.

Daarom kunnen wij, als wij naar onze eigen werken kijken, nooit behouden worden en zullen wij altijd in angst voor Gods oordeel leven. Maar wanneer wij ons bekleden met de gerechtigheid van Jezus en naar Hem opzien voor onze verlossing, kunnen wij nooit verloren gaan. Laten wij dat daarom ook maar doen.

 

 

Piet Westein

 

 

P.S.

Wij hebben drie redelijk godvruchtige koningen na elkaar zien regeren. Zij waren niet volmaakt en hadden hun tekortkomingen, maar zij waren in vergelijking met de heersers van Israël goed te noemen. Nu gaan wij verder met koning Achaz, de zoon van koning Jotham.

Mogen wij na drie goede generaties nu een perfecte koning verwachten? Ik ben benieuwd.