26. Oordeel en Genade - Uzzia een jonge vorst
2 Kronieken 26
Koning Amazia week af van de rechte weg en werd gedood door zijn hovelingen. Zoals Salomo al zei: “Er is niets nieuws onder de zon.” Zijn vader was immers op dezelfde manier om het leven gekomen.
Nu werd zijn zoon Uzzia, ondanks zijn prille zestien jaar, op de troon van Juda gezet. Hij begon zijn koningschap met het heroveren van de stad Eilat, de havenstad aan de Rode Zee. Hij bouwde er ook meteen een muur omheen om haar te kunnen verdedigen.
Hij regeerde tweeënvijftig jaar over Juda en is daarmee één van de langst regerende vorsten. Zolang hij naar de priester Zacharia luisterde, regeerde hij volgens de wetten van God. Toch was het land niet rustig onder zijn bewind. Hij beschikte over een leger van meer dan driehonderdduizend man en maakte daar veelvuldig gebruik van. Vooral de Filistijnen begonnen geregeld vijandelijkheden. Maar Uzzia ging zo ver dat hij hen versloeg, de muren van hun steden afbrak en zelfs legereenheden in hun gebied legde om hen goed onder de duim te houden.
Juda had een goede koning aan hem. Hij hield van landbouw en veeteelt, waardoor het volk voldoende te eten had. Ook verfraaide en versterkte hij zijn hoofdstad Jeruzalem. Bovendien liet hij door vaklieden allerlei wapentuig ontwikkelen. Zijn roem verbreidde zich daardoor zelfs tot in Egypte.
Hoogmoed voor de val
Maar dan wordt hij machtig en beroemd, en daarmee ook hoogmoedig. Waar hebben wij dat toch meer gehoord? Het werd zo erg dat hij op een gegeven moment de tempel binnenging om in het heilige een reukoffer te brengen, iets wat alleen de priester mocht doen.
Met deze daad stelde hij zich gelijk aan de koningen van de andere volken. Zij dachten immers dat zij niet slechts wereldheersers waren, maar ook de vertegenwoordigers van hun goden op aarde, zeg maar hogepriesters. Maar dit was Israël verboden. Hier waren kerk en staat strikt gescheiden. Daarom is ook de claim van de paus, dat hij de plaats van God op aarde inneemt, volkomen onterecht. De ware vertegenwoordiger van God op aarde is de Heilige Geest.
Nu was daar een priester, Azarja, een dapper man. Hij nam tachtig priesters met zich mee en zij hielden de koning tegen. Zij maakten hem duidelijk dat wat hij wilde doen hem niet tot eer zou strekken. Maar Uzzia werd boos, en terwijl hij het wierookvat in zijn hand had en tekeer ging tegen de priesters, werd hij melaats aan zijn voorhoofd. Toen de priesters dit zagen, joegen zij hem de tempel uit. Uzzia zelf was zo geschrokken dat hij er als een haas vandoor ging.
De rest van zijn leven bleef hij melaats en woonde hij in een apart huis. Hij werd nooit meer toegelaten tot de tempeldienst, want hij was onrein.
Hoe rein zijn wij?
Omdat het volk toch geregeerd moest worden, wees Uzzia zijn zoon Jotham aan als regent in zijn plaats. Hoeveel invloed Uzzia zelf nog uitoefende, ondanks zijn onreinheid, weten wij niet. Hij is zeker niet de enige machthebber in de wereldgeschiedenis die melaats bleef regeren. Denk maar aan Naäman, de Syriër, hoewel die natuurlijk generaal was.
In de Bijbel wordt zonde vaak vergeleken met melaatsheid: het maakt ons in de ogen van God onrein. Aangezien de gemeente van Christus volgens zowel de apostelen als Jezus een koninklijk priesterschap genoemd wordt, en wij daarom dagelijks voor God mogen verschijnen om onze lofoffers te brengen, moeten wij ons realiseren dat wij daar niet beladen met onze zonden kunnen binnengaan.
Wij zullen, net als de oudtestamentische priesters, eerst onze zonden moeten belijden. Pas wanneer die zijn weggedaan, kunnen wij rein voor God verschijnen om onze dank en lof te brengen.
Hoewel het waar is dat wij priesters mogen zijn voor de mensen om ons heen, is er hier op aarde geen hogepriester meer. Hij die deze plaats vervult, is in de hemel: de Eeuwig Levende, die ons reinigt met Zijn eigen bloed dat Hij hier op aarde voor ons, Zijn kinderen, heeft vergoten.
Hoewel de zonde nog steeds als melaatsheid aan ons kleeft, ziet God ons als rein wanneer wij onze zonden belijden en ons beroepen op onze Hogepriester.
Ik vraag mij af of koning Uzzia zijn zonden ook heeft beleden, en of God de melaatsheid van hem zou hebben weggenomen als hij dat gedaan had. De Bijbel vermeldt het niet, daarom moeten wij erover zwijgen.
Maar wij weten wél dat onze zonden, die als melaatsheid aan ons kleven, zeker worden vergeven wanneer wij ze belijden en laten. Daarom heb ik goede hoop dat wij ook koning Uzzia in het nieuwe Koninkrijk van God zullen zien. Hij die tien melaatsen met één woord kon genezen toen Hij hier op aarde rondliep, kan dat nu nog steeds. Want het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonden.
Piet Westein
P.S.
Het lijkt erop dat koning zijn onder het alziend oog van God geen eenvoudige opgave is. Dat gold in de tijd van de koningen van Juda en Israël, en ik ben ervan overtuigd dat het niet anders is voor ons, die door God zijn aangesteld als een koninklijk priesterschap.
Wij zijn volgens Paulus een heilige natie, God ten eigendom. Het is een hoge roeping, waarmee we voorzichtig om mogen gaan. Denk maar aan koning Uzzia! Kijk iedere morgen maar eens in de spiegel of er misschien “melaatsheid” op je voorhoofd te zien is. Ik zal het ook doen.