21. Oordeel en Genade - Je kunt maar beter geen Baälpriester zijn
2 Koningen 10:18-36
Koning Jehu had zich verbonden met Jonadab uit de familie van de Rechabieten. Hij kon slechtere vrienden kiezen, want deze familie was, zoals wij al hebben gezien, zeer strikt in het houden van de wetten van God. Ook zagen zij vrijwillig af van het drinken van alcohol. Zij waren een soort Nazireeërs. Of wat er nu volgt de invloed was van Jonadab die Jehu influisterde, weten wij niet, maar het ligt wel voor de hand. Hoe dan ook, Jehu, en met hem Jonadab, maakten een plan om de Baäldienst uit Israël uit te roeien.
Door heel Israël werd bekendgemaakt dat er een groot offerfeest ter ere van Baäl zou worden gehouden, omdat de nieuwe heerser, Jehu, de eredienst van Baäl centraal wilde stellen. Maar het verdere verloop van de geschiedenis maakt duidelijk dat Jehu een dubbele agenda had. Hij wilde slechts zeker weten wie van de mensen Baäl dienden.
Heel Israël werd opgeroepen naar de tempel van deze afgod. De tempel vulde zich tot de laatste plaats met aanbidders. Er werden mantels uitgedeeld die normaal gedragen werden door Baälpriesters. Alle andere Israëlieten liet Jehu afzonderen en wegzenden. Het was als een oproep: “Ga uit van haar, mijn volk, opdat je niet besmet wordt met haar zonden en niet ook van haar plagen ontvangt.”
Nadat Jehu zo een zifting onder het volk had teweeggebracht, brachten de priesters van Baäl een offer aan hun afgod. Nauwelijks waren zij hiermee klaar, of Jehu zond tachtig man van zijn garde naar binnen, met de opdracht: “Laat niemand ontkomen. Dood iedereen die gekleed is in een mantel van de Baälpriesters. Als er iemand ontkomt, komt jouw leven in zijn plaats.” Het bevel was dus zeer streng en werd tot de letter uitgevoerd. De populariteit van de Baäldienst herstelde zich nooit meer van deze klap.
Nog was het werk niet gedaan. De gewijde steen die in de tempel van Baäl stond en aanbeden was, werd naar buiten gebracht en met vuur verbrand. De tempel zelf werd tot de laatste steen afgebroken. Nu dit grote werk gedaan was, zou je denken dat het hele volk de ware God zou gaan dienen en dat zij nog lang en gelukkig zouden leven. Maar helaas, zo liep de geschiedenis niet af.
Een gedeeltelijke bekering
In plaats van de mensen te verwijzen naar Jeruzalem en de tempel om daar God te dienen, werd de tempeldienst van de twee gouden kalveren in Dan en Bethel opnieuw in ere hersteld. In de optiek van Jehu kon het ook moeilijk anders. Als hij dat niet deed, zou hij de macht over zijn volk kwijt raken. Men zou waarschijnlijk de koning van Juda meer gaan eren dan hemzelf, hun eigen koning. Dit risico wilde hij niet nemen.
Hij vond dat hij immers al genoeg gedaan had om Jahwe te dienen en te eren. Welke andere koning had Baäl zo fel bestreden als hij? Hij verwachtte eigenlijk wel een pluimpje voor al dat werk.
God was ook blij met wat hij gedaan had. Dat werd hem door een profeet bevestigd. Zijn zonen zouden tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. Toch heeft Jehu nooit begrepen waar het werkelijk om ging: een totale toewijding aan de Schepper van hemel en aarde, met wegcijfering van het eigen ik. Niet heersen als een vorst over een volk, maar het volk dienen als een herder. Hiervoor was een totale bekering nodig geweest, maar dat bleek voor Jehu en zijn volk een brug te ver.
Jehu regeerde 28 jaar over het tienstammenrijk. Hij en zijn nageslacht hadden de mogelijkheid zich oprecht tot God te keren. De realiteit is echter dat zij hun vertrouwen meer stelden op afgoden dan op de Schepper, die hen kon redden van hun vijanden. Na vier generaties kwam er een einde aan het rijk van Israël. Alle waarschuwingen van de profeten kwamen uit. Zij werden in ballingschap weggevoerd en de meeste stammen verdwenen uit de geschiedenis.
Helpen waarschuwingen eigenlijk wel?
Vanaf het moment dat God Israël als natie uit Egypte voerde, gaf Hij hun niet alleen wetten, inzettingen en verordeningen, maar ook leiders die als profeten het volk waarschuwden. Zij vertelden hun wat de consequenties zouden zijn als zij deze wijze wetten niet hielden. Nooit kwam er een oordeel over het volk, zonder dat zij eerst uitvoerig gewaarschuwd waren. Soms werkte de waarschuwing, maar meestal koos het volk zijn eigen weg en moest daarvoor boeten.
Ik vraag mij af of wíj, die de Bijbel vol waarschuwingen hebben en de voorbeelden van het volk Israël kennen, ons wel laten gezeggen. Wij weten dat de zonde altijd de dood tot gevolg heeft, al zien wij dat alleen al in de kruisdood van onze Heer, die voor onze zonden stierf aan het kruis.
Wij, die een wolk van getuigen om ons heen hebben, luisteren ook niet altijd naar hun getuigenis. Wij weten, door al de vervulde profetieën uit de Bijbel, dat het Woord van God ons gegeven is om ons te waarschuwen. Dit Boek kan en moet ons beschermen tegen alle voetangels en klemmen die de tegenstander legt op de weg van iedere oprechte volgeling van God. Want satan is een leugenaar vanaf het eerste begin van de wereld. Onze eerste ouders luisterden naar hem, en wij zijn sindsdien geneigd zijn raad aan te nemen.
Maar wij zijn gewaarschuwd. Wij weten wat de gevolgen zijn als wij naar hem luisteren en zijn raad opvolgen. Onze relatie met God zal, als gevolg van onze zonden, losser worden. Net als bij Adam en Eva zal de liefde voor onze Verlosser afnemen, en daarvoor in de plaats zal de angst voor God ons in bezit nemen.
Laten wij niet zijn als Jehu. Hoewel hij voor een groot deel deed wat God van hem vroeg, wilde hij uiteindelijk zijn eigen troon boven die van de Schepper stellen. De aanbidding van het volk wilde hij niet opgeven, terwijl hij wist dat het diezelfde God was die hem op de troon had geplaatst.
Hoe is dat met ons? Zoeken wij ook de lof van mensen om onze status te verhogen, of hunkeren wij ernaar ons dienend op te stellen en zo God de eer te geven voor alles wat wij in dit leven bereiken? Let op, als wij ons nederig opstellen, kan het zomaar gebeuren dat wij trots worden op onze nederigheid. Zou dat niet jammer zijn?
Piet Westein
P.S.
Achab en zijn familie zijn dood. Maar was er niet nog een dochter, die met een van de koningen van Juda getrouwd was? Was haar naam niet Athalia? Wat gebeurde er eigenlijk met haar? Wij vinden het antwoord in 2 Koningen 11.