19. Mattheüs' Waarheid - Mogen wij een oordeel uitspreken? (Mattheüs 7:1-6)

19. Mattheüs' Waarheid - Mogen wij een oordeel uitspreken? 

Mattheüs 7:1-6

 

Deze studie gaat over het verschil tussen oordelen en terechtwijzen, en wat Jezus bedoelt als Hij zegt dat wij niet moeten oordelen. Het onderzoekt ook hoe wij als gelovigen kunnen omgaan met het oordeel van God en onze verantwoordelijkheid tegenover elkaar.

 

Oordelen en terechtwijzen

Jezus begint dit hoofdstuk met: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, want met het oordeel waarmee jij oordeelt, zal ook jij zelf geoordeeld worden. Dit is geen klein bericht, want dit gaat niet alleen over wat ik over anderen in mijn kennissenkring zeg, maar ook over wat ik over hen denk. Ik vraag mij af of er wel iemand is die hierin zonder zonde is. Wat houdt dat oordelen nu precies in?

 

Als iemand zondigt tegen één van de wetten van God, dan is het toch niet meer dan normaal dat wij hem of haar terechtwijzen? Roept God ons niet terecht op in het boek Ezechiël om, als wij iemand zien zondigen, hem dan terecht te wijzen? Want als wij dat niet doen, zal zijn bloed van ons worden geëist. Ik denk dat terechtwijzen en oordelen twee verschillende dingen zijn.

 

Dat terechtwijzen kunnen wij slechts geloofwaardig doen als wij onszelf verre houden van die zonde. Dat betekent niet dat wij absoluut zonder zonden moeten zijn voordat wij geroepen worden om een ander terecht te wijzen. Wij zullen zondaren blijven tot onze dood, maar dat betekent niet dat wij bewust en bij keuze willen leven in een bekende zonde. Niemand die bewust in een bekende zonde wil leven, is in staat om een ander te vermanen om diezelfde zonde af te zweren. Zijn getuigenis zal zinloos zijn.

 

Wij zullen inzage krijgen in het oordeel

Volgens de Schrift zullen wij in de duizend jaar dat wij met Christus in de hemel zijn, inzage krijgen in het oordeel. Wij kunnen ons misschien afvragen wat de zin daarvan is, maar wij moeten beseffen dat wij met iedereen die behouden wordt, voor eeuwig zullen moeten leven. In dat besef dat veel van onze kennissen en geliefden daar niet zullen zijn, moet in die duizend jaar de vraag beantwoord worden waarom dat zo is. En wel op zo’n manier dat er in de eeuwigheid nooit meer de vraag zal oprijzen of God wel rechtvaardig is geweest in Zijn oordeel over Zijn mensenkinderen.

 

Er wordt ons zelfs vergund om inzage te krijgen in het oordeel over satan en zijn gevallen engelen. Ook zijn motivatie om God ontrouw te worden en de diepste roerselen van zijn gevallen karakter moeten wij begrijpen, om God vrij te spreken van enig onrecht met betrekking tot Zijn beslissing om satan en iedereen die hem vrijwillig in de opstand tegen God is gevolgd te veroordelen tot eeuwige vernietiging.

 

Als het zo is dat wij daar in de hemel duizend jaar mee bezig zijn, dan is het misschien maar beter om daar hier op aarde een begin mee te maken. Ik bedoel hiermee niet dat wij hier al het oordeel over satan en alle zondaren kunnen uitspreken, maar veelmeer dat wij een studie mogen en moeten maken van de oorsprong van het kwaad en de zonde, die uitmonden in de grote strijd tussen Christus en satan.

 

Wij moeten ons afvragen hoe het toch kon zijn dat zondeloze wezens als Adam en Eva er bewust voor kozen om deel te nemen aan die opstand tegen hun Schepper, die hun het leven had gegeven. Dat de zonde daardoor is doorgedrongen in alle nakomelingen van die eerste mensen, ervaren wij elke dag van ons bestaan.

 

En toch weten wij dat wij wezens zijn met een vrije wil. Theoretisch zijn wij in staat om voor het goede te kiezen en het kwade af te wijzen. In de praktijk is het echter zo dat wij met Paulus moeten uitroepen dat, als wij het goede willen doen, het kwade ons nabij is.

 

Ons getuigenis als gelovigen

Het overkomt mij vaak dat ik jaloers ben op bepaalde mensen die ogenschijnlijk gemakkelijk bepaalde zwakheden overwinnen. Ik voel mij dan terechtgewezen door hun leven. Zij hoeven mij niet eens op mijn zwakheden te wijzen.

 

Wij horen als christenen zo te leven, dat er, ook al wijzen wij anderen niet met zoveel woorden terecht, toch een getuigenis van ons uitgaat. Dat betekent overigens niet dat wij onze mond kunnen houden als wij broeders of zusters zien die de weg helemaal kwijt dreigen te raken. Wij mogen en moeten hen terechtwijzen, zodat zij niet nodeloos verloren gaan.

 

Het blijft voor ons als zondaars moeilijk om de balans te vinden tussen liefde voor het onvolmaakte en een hard oordeel dat meer schade zou toebrengen dan het licht van het Evangelie verspreidt. Mijn oproep aan mijzelf en aan allen is dan ook: wandel in het licht met Jezus en heb geen deel aan de werken van de duisternis. Dit betaamt ons allen.

 

Piet Westein

 

P.S.

Ik wandel in het licht met Jezus, en ik luister naar Zijn dierbare stem. En niets kan mij ooit van Jezus scheiden, sinds ik wandel in het licht met Hem. Mooi hé.