18. Oordeel en Genade - Jehu als koning gezalfd (2 Koningen 9:1-15)

18. Oordeel en Genade - Ehu als koning gezalfd
2 Koningen 9:1-15

 

Elisa roept een van de profeten en geeft hem een levensgevaarlijke opdracht. Hij zegt tegen hem: Maak je klaar voor een reis en neem deze oliekruik met je mee. Ga naar Ramoth in Gilead, waar het leger van Israël is met aan het hoofd Jehu, de zoon van Josafat. Zoek hem op en vraag hem apart te spreken in een binnenkamer.

Wanneer jullie alleen zijn, neem dan de oliekruik en giet de olie op het hoofd van de generaal. Zeg: Zo zegt de Here: Ik zalf u tot koning over Israël. Blijf daarna vooral niet in de buurt, maar vlucht zo snel mogelijk weg.

 

Vragen bij deze gebeurtenis

Deze gebeurtenis roept natuurlijk vragen op.

  1. Waarom een nieuwe koning zalven als de oude nog regeert?

  2. Waarom doet Elisa dit niet zelf, maar laat hij een jonge profeet dit levensgevaarlijke werk doen?

Dit bevel was immers hoogverraad van de eerste orde.

De eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. Koning Achab en al zijn zonen waren afgodendienaren en misdadigers. Over hen was al een profetie uitgesproken door Elia, dat zij allemaal zouden worden weggevaagd. De opdracht aan Jehu is precies dit: dood allen van het huis van Achab en Izebel. Zij hebben de profeten van God vermoord en dit is hun loon.

 

Jehu als gezalfde koning

Wanneer Jehu zich weer bij de andere bevelhebbers voegt, vragen zij: Wat hield de boodschap van die waanzinnige in? Jehu antwoordt: Och, je kent het gepraat van dit soort mensen, het betekent niets.

Zijn medesoldaten roepen: Je liegt, zeg de waarheid! Dan vertelt Jehu openlijk wat de profeet gezegd had en dat hij tot koning gezalfd is.

De reactie van de officieren is positief. Zij doen hun mantels uit, spreiden die op de grond en roepen: Jehu is koning! Daarmee heeft Israël nu twee koningen. Dat kan alleen maar bloedvergieten betekenen.

Op dat moment geeft Jehu bevel dat niemand het kamp mag verlaten, zodat de regerende koning Joram niet gewaarschuwd kan worden.

 

Gezien als waanzinnig, maar toch gehoorzaamd

Het lijkt vreemd dat de soldaten en Jehu de profeet van God eerst uitmaken voor waanzinnig, maar zodra zij horen dat hij Jehu tot koning heeft gezalfd, dit direct aannemen en hem volgen.

Wat zij doen, zien wij later ook wanneer Jezus voor de laatste maal Jeruzalem binnengaat. De menigte denkt dat Hij het koningschap op Zich zal nemen en spreidt mantels op de grond, terwijl zij Hem juichend begroeten.

 

De ware Koning der koningen

Ik vraag mij af hoe de engelen in de hemel gereageerd hebben toen Jezus bij Zijn hemelvaart als Overwinnaar en ware Koning der koningen in hun midden kwam. Hebben ook zij hun lichtklederen voor Hem uitgespreid om Hem hulde te bewijzen?

Ik vraag mij ook af of de ongevallen engelen bekleed zijn met de klederen van Christus’ gerechtigheid. Of kunnen zij, omdat zij nooit gezondigd hebben, voor de eeuwige God staan in hun eigen gerechtigheid?

 

Onze reactie bij Zijn komst

Hoe zal onze reactie zijn als wij Hem zien komen op de wolken van de hemel? Als onze zonden zijn weggedaan en wij Hem tegemoetgaan in de lucht, bekleed met de klederen van Zijn gerechtigheid?

Zullen wij die klederen dan voor Hem uittrekken en voor Hem uitspreiden? Of zullen wij Hem lof brengen voor die toegerekende gerechtigheid die Hij ons heeft gegeven in ruil voor onze zonden?

Wij zitten nog vol met vragen over Jezus, Zijn werk en onze reactie op Zijn grote daden. Maar misschien moet ik eerst de door zonden bevlekte klederen van mijn eigen gerechtigheid uittrekken en ze wassen in het bloed van het Lam van God. Dan zullen zij witter dan sneeuw zijn.

Het probleem is: hoe houd je ze daarna vlekvrij? Moeten wij, zoals Jehu, al die zondaars doden? Of is het onze roeping hen meer tijd te geven om zich te bekeren, zoals ook wijzelf zoveel tijd van God ontvingen om het Licht te volgen dat Hij ons gaf?

 

Piet Westein

 

P.S.

De opdrachten die God in vroegere tijden aan Zijn profeten gaf, zijn voor ons nu moeilijk uit te voeren. Toch geldt hetzelfde voor het bevel van Jezus in het Nieuwe Testament: wanneer wij aangevallen worden, de andere wang toekeren.

Dat is bijna net zo moeilijk als elkaar zeventig maal zevenmaal vergeven, ook al geldt dat voor onze broeders en zusters.