16. David - Nathan laat van zich horen

2 SAM. 12:1-15.

David was, net als alle koningen in het midden oosten, ook opperrechter van het land. De troon, waar een koning op zat, was niet anders dan een rechterstoel. Zo was het ook met David, hij sprak recht in de naam van God. Hij deed dat aan de hand van de boekrollen van Mozes. In het bijzonder de boekrol Deuteronomium. 

Op een dag zit David op zijn rechtertroon. Hij spreekt recht over zijn volk. Hij moet hen de weg van God leren. Dan verschijnt er een onverwacht persoon voor hem met een, zo te zien, eenvoudige rechtszaak. 

HET RECHTSGEDING.

Nathan vertelt de rechter, in dit geval David, het volgende. Er waren in een stad een arme en een rijke man. De rijke had hele kudden vee. De arme man had één lammetje. Toen de rijke visite kreeg, kon hij er niet toe komen om één van zijn eigen dieren te slachten. Hij nam, in plaats daarvan, het ene lammetje van zijn arme buurman. Hij slachtte het, diende het op en men had een feestmaal. 

David als rechter hoort het verhaal aan en spreekt dan recht. Hij is zo in het verhaal meegegaan, dat hij woedend wordt. Zonder er verder bij na te denken, spreekt hij recht aan de hand van de wetrol. De wetrol eist van de dief, dat wat hij gestolen heeft viervoudig vergoed moet worden. Maar David is veel strenger dan wat de wet eist. Hij veroordeelt de dief tot de dood. Die doodstraf was onnodig zwaar, veel meer dan wat de wet eiste. 

Het is dan, wanneer David het oordeel heeft uitgesproken, dat de profeet Nathan zijn hand uitstrekt, naar David wijst en roept: Gij zijt die man. Iedereen in de rechtszaal valt stil. Je kunt letterlijk een speld horen vallen. Iedereen verwacht dat de koning zal uitroepen: Dood die profeet. Maar David wordt lijkbleek en begint te beven. Al die zonden, waarvan hij dacht dat hij ze zo mooi had verborgen weten te houden, worden nu bekend gemaakt in een volle raadszaal. De hele natie zal hierover spreken. 

GOD SPREEKT RECHT DOOR EEN PROFEET.

Nadat David zijn zonden in het openbaar erkend heeft, spreekt Nathan het oordeel van God uit over de aardse rechter David. Eerst noemt Nathan de grote goedheid van God, die hij aan Zijn knecht David heeft bewezen. Hij zegt dat God, hem, de schaapherder, tot koning heeft verheven. Hij had alle vrouwen die hij zich maar kon wensen. Als hij meer gewild had, had hij dat God maar hoeven vragen. Pas na de opsomming van al de dingen die God voor David heeft gedaan volgt het vonnis.

Het zwaard zou van het huis van David niet wijken. Wij kunnen de vervulling van deze profetie zien. Zowel in de tijd van David zelf, als dat van de generaties daarna was er altijd bloedvergieten bij de Davidische koningen. Dat wat hij met Bathseba in het geheim had gedaan, zou een ander [Absalom] met Davids vrouwen in het volle daglicht doen terwijl het volk toekeek. Vier van Davids zonen die hij liefhad zouden sterven. Dit was het oordeel dat hijzelf had uitgesproken.

HET EVANGELIE IN HET OORDEEL.

Maar, nadat de straf is uitgesproken, zegt David: Ik heb tegen de Here gezondigd. Direct nadat hij zijn zonden in het openbaar belijdt zegt de profeet Nathan: Je zult niet sterven. De Here heeft je zonden vergeven. Is het niet geweldig, dat God gewillig is om zo’n serie zondaar als David direct op de belijdenis daarvan te vergeven. 

En nee, het feit dat vier van Davids kinderen zouden sterven, maakte geen deel uit van de straf. Dat was een gevolg van de zonden van de vader van deze kinderen, in dit geval David. Wij als mens kunnen niet zonder gevolgen verkeerde beslissingen nemen. Iedere beslissing heeft gevolgen. Hetzij goed, hetzij kwaad. 

De straf van al onze zonden is op Christus gelegd. Dat zet ons vrij van die straf. Want de werkelijke straf op de zonden is de eeuwige dood en die is voor ons niet te dragen. Ook Jezus hoefde niet eeuwig in de doodsslaap te blijven. Hij heeft die last van de zonde die Hij op zich nam, na Zijn hemelvaart, in het hemels heiligdom gebracht. 

Daar zullen zij blijven, totdat zij, na de duizend jaar, op de veroorzaker van de zonden [satan] worden gelegd. Dan zal het hemels heiligdom in rechte staat hersteld zijn. Of anders gezegd gereinigd worden. Daar God rechtvaardig is kan Hij als opperrechter de straf op de zonden niet tweemaal verhalen. En daar wij weten dat Jezus voor de zonden van de hele wereld is gestorven, kunnen de dingen die David overkwamen niet de straf op zijn zonden zijn, hooguit de gevolgen van zijn domheid.

Blijft de uitroep van David: Ik heb tegen de Here gezondigd. Hij had toch ook tegen én zijn buurman én zijn buurvrouw dingen ondernomen die hem de rest van zijn leven zouden bijblijven? Ik vraag mij af, hoe David zal reageren als hij, na de wederkomst, Uria ontmoet en hem vertelt wat hij hem en zijn vrouw op aarde heeft aangedaan.

                                                                                                                 Piet Westein.

P.S.

         Hoe is Koning David van zijn hoge positie gevallen. Hij, die door alle vrouwen werd toegezongen als de door God gezalfde koning. Nu was die mantel van schijnheiligheid van Davids schouders gegleden. Onder die mantel bleek een groter zondaar te schuilen dan dat zijzelf waren. 

Volgende week zien wij de oude David gelukkig weer terug, zij het maar voor een korte tijd.