14. David - Ruk je oog uit, David (2 SAM. 11:1-5.)

2 SAM. 11:1-5.

Een jaar nadat David de Arameeërs verslagen had, werd het in het volgende jaar tijd om zich te wreken op de Ammonieten. In het Midden-Oosten was er een bepaalde tijd van het jaar dat de koningen oorlog voerden. Als men in de maand mei de graanoogst binnen had duurde het tot oktober voordat men weer kon ploegen voor de nieuwe oogst. In die tijd kon het leger worden opgeroepen voor een oorlog. 

Tot deze tijd had David, als dapper held, zelf zijn troepen aangevoerd. Nu hij een rijk heerser was, over veel landen, leek het hem beter het gewone oorlogswerk over te laten aan Joab, zijn opperbevelhebber. David vond het kennelijk leuker om van zijn weelde te genieten dan zich in dat krijgsgewoel te begeven. Je wist maar nooit wat er kon gebeuren. Een ongeluk lag tenslotte maar in een klein hoekje. Nee, hij liet dat vechten nu maar over aan die jongelui. Hij was druk met belangrijke staatszaken.

Op een mooie avond staat David op van zijn rustbank om op het dak van het paleis van de koelte in de avond te genieten. Daar is niets mis mee zult u zeggen. Vanaf zijn hoge uitkijkpost had David een goed uitzicht over de vernieuwde stad die hij gebouwd had. Het was een lust voor zijn ogen. Maar als hij daar zo staat te genieten van wat hij allemaal heeft bereikt, ziet hij iets bewegen in de tuin van de buren. Het is die mooie Bathseba, [dochter van de sabbatsrust] de vrouw van de Hethiet Uria [Licht van God]. 

David kan zijn ogen niet van haar afhouden. Bathseba is zich aan het baden in de beschutting van haar eigen binnenhof. David besluit om één van zijn hovelingen naar haar toe te sturen, met de uitnodiging om bij hem te komen. Hier waren twee partijen. David, was een [meermalen] getrouwde man. Bathseba, was ook getrouwd. Beiden wisten wat zij deden. Van Bathseba kunnen wij nog zeggen, dat haar man al een tijdlang weg was met het leger van Israël. Of dat je tegen een koning, die je roept, geen nee kunt zeggen. Maar van koning David weten wij dat hij geen tekort had aan vrouwelijk schoon. 

Kortom, wij hebben hier twee mensen die heel goed weten wat zij doen. David had zich moeten realiseren dat zijn hovelingen dit overspel ook zagen. Het was niet alleen Dávids naam die besmeurd werd, maar ook die van Bathseba en Uria. Dat is nog niet alles, David had altijd zijn mond vol van de God die hij diende en Wiens wetten hij nauwkeurig hield [Psalm 119]. Wat zou de hele natie en de volken rondom hen zeggen als dit bekend werd? 

WIE ZAL IK DIENEN?

Tot nog toe had David in al zijn benauwdheden zijn toevlucht genomen tot God. En God had hem altijd direct geantwoord en gered uit zijn moeilijkheden. Satan had tot nog toe geen bokkenpoot aan de grond gekregen bij David. Maar de duivel is geduldig. Hij weet dat hij ons niet kan dwingen om te zondigen. Wat hij wel kan doen, is de situatie zo leiden dat de zonde aantrekkelijk lijkt. Waarom laat je de priester niet komen, David, met de efod en de Urim en de Tumim, dan kun je God vragen of het goed is dat je het bed deelt met de vrouw van je buurman? Of weet je het antwoord al?

 

WELKE TROON STAAT HOGER? 

Toen Lucifer zijn werk nog deed als overdekkende cherub was het universum in rust. Lucifer was de leider van een derde van de engelen. Hij leidde hen in de lofzangen voor de Allerhoogste. Ongeveer zoals Koning David dat deed met het volk van Israël. Het ging allemaal goed totdat satan dacht dat hij het heelal ook weleens wilde regeren. Hij wilde zijn macht uitbreiden boven die van God. Hij wilde alle macht in hemel en op aarde. Het resultaat, chaos en burgeroorlog. [Engelenoorlog]

Adam, de eerste mens die God schiep, kreeg van God de hoge eer om onderkoning van deze hele planeet te worden. Het valt kennelijk niet mee, om onderkoning onder God te zijn. Satan zag de kans om zijn eigen onvrede ook te leggen in het hart van de mens. Hij, Adam kon zelf wel uitmaken wat goed of kwaad was, daar had hij die Geest van God niet voor nodig. Wat in de hemel gebeurde, gebeurde nu ook op aarde opstand tegen de wetten van God. Die geweldig mooie vrouw die Adam van God had gekregen werd hem tot valstrik. 

Wij zullen geen vermelding maken van al het overspel wat in de bijbel voor en na David voorkomt. Het is genoeg om te zeggen dat het altijd negatieve consequenties heeft voor degenen die zich er aan schuldig maken.

KONINGSKINDEREN.

De bijbel noemt ons, gelovigen, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gode ten eigendom. [1 Petrus 2:9] Waar hebben wij dat aan verdiend? Zijn wij van nature zo heilig dat God niet om ons heen kan? Of hebben wij dat onderkoningschap net als David en Adam als een genadegave van God ontvangen? 

Hoe zit dat met de vrouw in deze tijd, moeten wij dat nog steeds letterlijk zien en gaat dat overspel nog steeds wat er in een huwelijk verkeerd kan gaan tussen de echtgenoten? Het is waar, dat die wetten van God eeuwig zijn, dus ja, het huwelijk is nog steeds net zo heilig als toen God het in de hof van Eden instelde. Ja juist nu, nu wij in een tijd leven waar seksuele uitspattingen de norm zijn. 

Toch geloof ik dat de vrouw, als beeld van de gemeente van Jezus Christus, nu vandaag de dag meer aandacht nodig heeft als wij de bijbel profetisch willen zien. Dat betekent dat wij, man, vrouw en kind binnen de christelijke kerk de vrouw van Christus zijn. Wij moeten ons en als individu en als kerk onbevlekt rein houden binnen dat verbond wat wij met Christus zijn aangegaan. Als wij dat doen, dan heeft dat overspel van David met Bathseba nog een antitypische waarschuwing voor ons in deze tijd. 

                                                                                         Piet Westein.

P.S.      Laten wij niet vergeten dat satan die andere man is voor de gemeente van Jezus op aarde. Hij zal zich altijd zeer aantrekkelijk presenteren. Maar wij, als individu en als gemeente moeten liever ons oog uitrukken dan naar hem kijken. 

Ik ben benieuwd of Uria, de man van Bathseba, als hij thuiskomt, te horen krijgt dat zijn vrouw zwanger is van de koning. Dat kan nooit goed gaan!