10. David - De ark moet je dragen (2 Samuël 6)

10. David - De ark moet je dragen

2 Samuël 6

 

Inleiding

In deze studie gaat het over Davids verlangen om dichtbij God te leven en de gevolgen van zijn handelen bij het overbrengen van de ark naar Jeruzalem.

 

Davids verlangen naar Gods nabijheid

David vraagt zich af wat hem nog ontbreekt om volmaakt gelukkig te zijn. Hij is nu koning over heel Israël. Hij heeft veel vrouwen en bij hen veel zonen en dochters. Wat kan hij nog meer wensen? Dan hoort hij dat de ark van God nog steeds in Baäle-Jehuda (Kirjat-Jearim) staat. Waar is de tabernakel gebleven, met het heilige der heiligen waar die ark thuishoort? Sinds de ark door de Filistijnen veroverd was, wordt er nauwelijks meer iets vernomen over de heiligdomsdienst die God via Mozes had ingesteld.

 

David wil dat veranderen. Hij besluit de ark, met de daarbij horende priesterdienst, weer in ere te herstellen. Misschien, denkt hij, zal iets van de heiligheid van de God die tussen de cherubs op de ark woont, ook op hem afstralen. Daarom laat hij dertigduizend van zijn beste soldaten aantreden. Samen zullen zij, met groot feestgedruis, de ark naar Jeruzalem brengen. Voor de ark wordt een grote nieuwe praalwagen gemaakt. Het moet voor heel Israël zichtbaar zijn hoe hij, David, hun koning, God vereert.

 

De misstap bij het overbrengen van de ark

Alles verloopt aanvankelijk zoals David heeft gepland. Het hele volk danst voor de ark, met allerlei muziekinstrumenten. De menigte juicht luid, maar de stoet komt niet ver. Wanneer zij langs de dorsvloer van Nakon trekken, glijden de runderen die de wagen trekken uit. De ark dreigt van de wagen te vallen. Uzza, de voerman, ziet het gebeuren en steekt zijn hand uit om erger te voorkomen. Dit wordt hem echter fataal: op het moment dat zijn hand de ark raakt, sterft hij.

 

Het feest gedruis verstomt. David wordt bang. Wil hij de ark nog wel in zijn nabijheid hebben? Een misstap kan de dood betekenen. Hij weet dat ook hij niet zonder zonden is. Daarom besluit hij de ark achter te laten in het huis van Obed-Edom. Hij wil eerst goed nadenken over wat hij met de ark zal doen.

 

Drie maanden blijft de ark bij Obed-Edom. In die tijd hoort David dat niemand van diens familie gestorven is, maar dat het huis van Obed-Edom juist rijk gezegend is, door de aanwezigheid van de ark. Dat is precies wat David verlangt: hij wil die zegen ook ontvangen, hij meent daar toch zeker recht op te hebben?

 

De tweede poging: nu met Gods richtlijnen

Opnieuw organiseert David een groot feest, maar ditmaal heeft hij zich laten informeren over de juiste manier om de ark van God te vervoeren. Waren het niet de onbesneden Filistijnen die de ark ooit op een wagen hadden teruggebracht naar Israël? Waren er toen niet zeventig inwoners van Beth-Semes gestorven omdat zij de ark bekeken en aangeraakt hadden? David had beter moeten weten.

 

Nu komen de priesters en de Levieten, die zich tevoren hebben gereinigd voor de dienst, zodat zij de ark mogen dragen aan de draagstokken die door de ringen steken. Nu gaat alles goed. Het volk viert feest, er klinkt muziek, en allen, inclusief de koning, dansen opnieuw voor de ark. Aan het einde van de tocht bereikt men de tent die David voor de ark heeft laten opzetten. Daar vindt de ark voorlopig haar rustplaats.

 

Hoe nadert een zondaar tot God?

Wanneer God Jesaja roept tot Zijn dienstwerk, ziet Jesaja in een visioen God zitten op Zijn hoge en heilige troon. (De ark in het hemelse heiligdom is de troon van God.) Hij hoort de hemelse wezens roepen: “Heilig, heilig, heilig.” Op dat moment beseft Jesaja zijn onheiligheid en roept uit: “Wee mij, want ik ben een man van onreine lippen.” Dat zegt een van de grootste profeten van God, iemand wiens woorden rechtstreeks gericht zijn tot de Heere.

 

Pas wanneer een seraf met een gloeiende kool van het altaar zijn lippen aanraakt, hoort hij dat zijn onreinheid is weggenomen. Daarna, als God vraagt wie Hij kan sturen om Zijn boodschap te brengen, roept Jesaja: “Hier ben ik, zend mij.” (Jesaja 6:1‑8)

 

Als profeten, die zo dichtbij God leefden, al op deze manier reageren op Zijn heiligheid, wie zijn wij dan om onze taken binnen Gods Koninkrijk achteloos uit te voeren?

 

Blijdschap en eerbied in de dienst aan God

In 2 Samuël 6:14 lezen we dat David een rund en een gemest kalf offert, terwijl hij gekleed is in een linnen lijfrok. Dat kledingstuk was eigenlijk voorbehouden aan de priesters en Levieten, en ook het offeren behoorde tot de taak van de priester. Hoewel God had gezegd dat Israël een koninkrijk van priesters zou zijn, werd het priesterschap toch toevertrouwd aan de stam van Levi, en het koningschap aan de stam van Juda. Misschien heeft David dit niet helemaal goed begrepen, maar hij brengt de ark wel binnen in de burcht van de stad van David.

 

Bij zijn thuiskomst krijgt hij kritiek van zijn vrouw Mikal, de dochter van koning Saul. Als koningsdochter voelt zij zich vernederd omdat haar man, de koning, zich gedragen heeft als een man uit het gewone volk door voor de ark uit te dansen. Uit het vervolg blijkt dat het tussen hen nooit meer goed gekomen is.

 

Hoewel het in onze kerken niet gebruikelijk is om te dansen of muziek te maken met rinkelbellen en cimbalen, is het goed om onze blijdschap over Gods verlossing te uiten in zang en muziek, zonder te vervallen in eindeloze herhalingen. Ieders gemoedstoestand verschilt, daarom kunnen we geen vaste voorschriften geven die voor iedereen passen. Zoals David zegt: een vrolijk hart geneest alle kwalen.

 

Het past een christen om vrolijk te zijn - innerlijk, omdat hij een behouden kind van God is, en uiterlijk, om de wereld te laten zien dat het evangelie werkelijk een blijde boodschap is.

 

Piet Westein

 

P.S. 

Moeten wij dan zeggen: “Laten wij eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij?” Ik zeg: Ja, mits wij voedsel gebruiken dat God kan zegenen en onze vrolijkheid tonen op een manier waar de engelen hun amen bij kunnen laten klinken.