08. Twee gezalfde koningen - Goliath en David

TWEE MENSEN OF TWEE LEGERS?  1 Samuël 17

Het is weer zover, de Filistijnen hebben de vijf legers van hun vijf steden weer verzameld. Zij zijn gelegerd in de vlakte bij de stad Efes-Dammim [grens van het bloed] in Juda. Nu kon koning Saul niet achterblijven, ook hij roept zijn leger samen en legert het in het Terebinten dal vlak bij de Filistijnen.

 

Normaal gesproken, als twee landen in oorlog zijn, strijden de legers van die landen met elkaar. Tot een paar honderd jaar geleden was het dan zo dat de koning voorop ging in de strijd. Maar wat wij hier zien, is dat er één man uit de gelederen van de Filistijnen naar voren komt en het voorstel doet om de sterkste man van het leger van Israël naar hem toe te sturen. Zij beiden zullen dan strijden en wie van deze twee wint die zijn land zal de oorlog gewonnen hebben. Het lijkt een logisch en eerbaar voorstel. Het zou zeker zeer veel bloedvergieten voorkomen.

Het probleem ligt in het feit dat in het hele leger van Israël geen man te vinden is die de moed heeft om naar de kampvechter van de Filistijnen te gaan en de strijd aan te binden. Waar is nu die grote sterke koning Saul? Hij steekt toch met kop en schouders boven zijn volk uit? Misschien wil Jonathan, de zoon van Saul, die grote held, die de Filistijnen al tweemaal verslagen heeft, maar ook van hem horen wij niets. Waarom toch?

 

Is het misschien omdat die kampvechter van de Filistijnen wel heel erg groot is. Het was een reus van drie en een halve meter lang. Daarbij was hij helemaal met een metalen pantser bekleed. Letterlijk staat er: Met een geschubd pantser. Door dat geschubde pantser leek hij wel op die vissen-god van de Filistijnen. Dagon was immers ook helemaal geschubd als een vis? Zo op het eerste gezicht leek Goliath wel onoverwinnelijk.

Isaï een oude patriarch had acht zonen, hijzelf was oud en hoogbejaard. Zijn zonen waren dappere mannen, de oudste drie hadden dienst genomen in het leger van Saul. Zij waren ook bij de mannen die sidderden van angst. Veertig dagen lang komt deze held uit het kamp van de vijand naar voren. Iedere morgen en iedere middag roept hij hetzelfde. Hij lastert de God van Israël en Zijn volk. De reactie in het leger van Israël is dodelijke angst. Iedereen beeft en kruipt weg, waar moet dat heen?

 

IN GODS NAAM MET EEN STOK EN EEN STEEN.

Op dat moment komt daar David de jongste zoon van Isaï aanlopen, hij ziet die reus en hoort hem tekeer gaan tegen het leger en de God van Israël. David is door zijn oude vader gestuurd om naar de welstand van zijn broers te informeren. Zijn broers reageren op zijn aanwezigheid net als de broers van Jozef. Waar heb je die paar schapen gelaten en wat kom jij hier doen. Nadat men David heeft geïnformeerd over de stand van zaken en hij geen enkele angst toont voor die reus, brengt men David bij koning Saul. Als David aanbiedt met de reus te strijden, geeft men hem te verstaan dat hij daarvoor veel te jong is. Hierna vertelt David dat hij tijdens het hoeden van de schapen zowel een leeuw als een beer gedood heeft. Koning Saul biedt hem zijn eigen harnas aan en een zwaard. Als David daarin gekleed probeert te lopen lukt dat hem niet. David ziet af van alle aardse hulpmiddelen, hij gaat gewapend met zijn staf en zijn slinger op weg.

Ik denk dat er maar weinig mensen waren die dachten dat David dit zou overleven. Onderweg moet David een beek oversteken. Daar zoekt hij vijf gladde stenen uit die hij in zijn weitas doet. Bij de reus aangekomen, voelt die zich beledigd. Hebben zij daar in dat leger van Israël echt niemand beter dan een jonge jongen met een stok om met mij te strijden? Ik ben geen hond. Kom maar hier, dan prik ik je aan mijn speer en geef je aan de vogels te eten.

De reactie van David is: Jij hebt dan wel een grote mond en hebt een werpspies en een zwaard, maar ik treed je tegemoet in de naam van onze God. Vandaag zal onze God jou in mijn macht geven en ik zal je jouw hoofd afhakken. De lijken van het hele leger van de Filistijnen zullen door de vogels opgegeten worden. Het lijken, tot nog toe, alleen maar grote woorden. Maar als die twee op elkaar afstormen neemt David één van die vijf stenen uit zijn tas en werpt hem met zijn slinger naar de reus. De steen treft hem, als een geweerkogel aan het voorhoofd en vermorzelt zo zijn kop [hoofd]. Zo stort die reus ter aarde en staat niet weer op. Daar David verder ongewapend is neemt hij het zwaard van Goliath en hakt zijn hoofd af.

Je mocht nu verwachten dat de Filistijnen zich over zouden geven. Dat was toch de afspraak? Wie van de twee kampvechters won, die zijn volk won. Niet zo! Zodra de Israëlieten zien dat Goliath dood is, beginnen zij te roepen wij hebben die reus verslagen. Terwijl de Filistijnen op de vlucht slaan, achtervolgen de Israëlieten hen en doden velen van hun vijanden.

 

WAAR IS HET EVANGELIE IN DIT ALLES?

Dit is één van de meest bekende verhalen uit de bijbel. Het is vooral erg populair als kinderverhaal. Maar als het geen deel uitmaakt van de heilsgeschiedenis dan heeft het voor ons als kinderen van God maar een beperkte waarde.

Wij moeten ons afvragen waar zijn David en Goliath een type van? Welke heilswaarheden liggen in deze geschiedenis verborgen? Zijn er misschien zelfs profetische vergezichten verborgen in deze geschiedenis? Laten wij die vragen één voor één bezien.

Wij hebben al gezien dat David de zoon is van een oude van dagen. Zijn naam betekent de geliefde. Het is niet moeilijk daar Jezus in te herkennen als de geliefde Zoon van God. Het is Jezus die de strijd veertig dagen lang in de woestijn met die grote geschubde vijand zou strijden en hem uiteindelijk de kop zou vermorzelen.

De naam van Goliath is interessant, het betekent hij die in ballingschap leeft. Hij draagt een geschubd harnas. Al in het paradijs zien wij de vijand van God en mens verschijnen als een geschubde slang. Daar in de Hof van Eden krijgt satan al te horen dat zijn kop vermorzeld zal worden.

Dan hebben wij nog koning Saul, die grote sterke man die alles van God heeft gekregen zonder dat hij er ook maar iets voor hoefde te doen. Saul werd aangesteld door God om Zijn volk te hoeden, waar hij keer op keer in tekort schoot. Saul wordt daarmee een beeld van iedereen die binnen de gemeente van God een roeping heeft en die niet durven, kunnen of willen vervullen. Laten wij daarbij vooral niet naar alleen de predikanten kijken. Wij als kinderen van God behoren allemaal bij dat koninklijke priesterschap, wij zijn daarmee allemaal geroepen om de gemeente van God te beschermen en op te bouwen.

 

Ook voor ons in deze tijd zit die vijand niet stil. Van onze tijd wordt gezegd dat er een teken aan onze rechter hand en aan ons voorhoofd gegeven zal worden. Dat teken zal ons herkenbaar maken als kind van God of dat van de tegenstander. Of dat een letterlijk zichtbaar teken zal zijn weet ik niet. Het zal niet zoiets zijn als slangenleren schoenen. Maar als het er is zullen wij het wel herkennen.

Wat wij wel weten is dat wij, net als het volk van Israël, ons kunnen verheugen in een overwinning die een Ander voor ons behaald heeft en ons wordt toegerekend. In onze Held zijn wij daarom meer dan overwinnaars.

 

Piet Westein.

 

P.S.

Waarom nam David nou vijf stenen uit die beekbedding terwijl hij er aan één genoeg had? Had hij niet genoeg geloof, of zijn die vijf stenen een verwijzing naar de vijf steden van de Filistijnen? Misschien is het voor onze tijd een verwijzing naar het boek de Openbaring waar wij ook een vijfde gemeente, zegel, bazuin en plaag vinden. Als u dat echt wil weten, moet u dat maar eens goed bestuderen.