01. Mag een vrouw onderwijs geven? - Bijbelse positie + 1 Kor. 11 & 14
Deel 1 - Fundament: Schepping, positie van de vrouw en de schijnbare bezwaren
Inleiding van deel 1
In het eerste deel onderzoeken we de vraag of een vrouw onderwijs mag geven door te beginnen bij de scheppingsorde, de Hebreeuwse grondtekst en de bredere Bijbelse positie van de vrouw. Daarna behandelen we de drie vaak aangevoerde tekstgedeelten die op het eerste gezicht tegen onderwijzende activiteiten van vrouwen zouden pleiten. Deze fundamenten zijn essentieel om het Nieuwtestamentische getuigenis zuiver te kunnen onderscheiden.
1. Genesis 2:18 in de grondtekst
In Genesis 2:18 lezen we: “Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.”
Het Hebreeuwse “ezèr kènegdô” (עֵזֶר כְּנֶגְדּוֹ) betekent geen onderdanig hulpje. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor de Eeuwige zelf, onder andere in Psalm 121:2: “Mijn hulp is van de HEERE.” De vrouw is niet onder of achter de man geplaatst, maar tegenover hem.
Omdat wij altijd lezen met een culturele of theologische bril, moeten we alert blijven op de effecten van onze achtergrond. Een geschiedenis van achterstelling van vrouwen mag ons niet verhinderen om de Schrift zelf objectief te laten spreken.
2. Bijbelse positie van de vrouw
Handelingen 8:12 benadrukt dat zowel mannen als vrouwen zich lieten dopen. De tussenmuur (mechitza) die vrouwen en mannen scheidde is door Christus weggebroken (Efeziërs 2:14). Daarom geldt Galaten 3:26-29: in Hem is geen mannelijk en vrouwelijk; beiden ontvangen de positie van zoon.
Het onderscheid tussen broeders en zusters vervaagt in het Grieks, waar adelphoi vaak een gemengde groep aanduidt, net zoals wij zeggen: “Kom op jongens.”
3. Drie schijnbaar bezwarende tekstgedeelten
A. 1 Corinthiërs 11:2-16 – De hoofdtooi van de vrouw
Christus is het hoofd van de man; de man is het hoofd van zijn eigen vrouw, niet van vrouwen in het algemeen. De vrouw is de heerlijkheid van de man; samen zijn zij beeld van God.
Conclusie:
Het hoofd-zijn van de man geldt uitsluitend binnen het huwelijksverbond.
B. 1 Corinthiërs 14:34-36 – Het spreekverbod
Wanneer dit letterlijk wordt toegepast, zou een vrouw niet mogen bidden, profeteren, in tongen spreken of weerleggen. Maar 1 Corinthiërs 11 en 14 tonen duidelijk dat vrouwen dit wél deden.
Paulus beantwoordt vragen van de gemeente (1 Corinthiërs 7:1) en verwijst naar de wet, namelijk Genesis 2:18, die spreekt over de verhouding binnen het huwelijk. Het gaat om vrouwen die vanaf de vrouwenafscheiding (mechitza) door de samenkomst heen riepen naar hun mannen.
De opmerking “het staat lelijk voor een vrouw” is cultureel bepaald.
Het gebruikte woord lalein betekent oorspronkelijk babbelen of kwetteren. Het gaat dus om verstoring, niet om het houden van onderwijs.
Conclusie:
Het betreft geen verbod op onderwijzen, maar een correctie van wanorde tijdens de samenkomst.
C. 1 Timotheüs 2:11-15 – Het leerverbod
Hier gaat het om onderricht in combinatie met gezag uitoefenen over “andros”, wat ook vertaald kan worden met “haar man”. De context wijst op situaties waarin vrouwen zich onafhankelijk en autoritair opstelden (authenteoo), mede beïnvloed door de Dianacultus.
Conclusie:
Het gaat om vrouwen die een positie opeisen die binnen het huwelijk niet de hunne is, niet om een algemeen verbod op onderwijs.
Gerard Wijtsma
