03. In Zijn naam - Waar demonen wonen en hoe zij werken

03. In Zijn naam - Waar demonen wonen en hoe zij werken

Een bijbelgetrouwe uitleg over waar demonen verblijven en hoe zij opereren, met pastorale en messiaanse inzichten voor vandaag.

 

Inleiding

Demonen (of boze geesten) zijn nabij en onzichtbaar. We kijken naar hun sfeer en werkwijze, niet om angst te voeden, maar om het Licht beter te verstaan.

 

1. Waar wonen zij

1.1 Geestelijke sfeer rondom de aarde

“De hemelse gewesten” (Efeze 6:12) duiden de onzichtbare sfeer aan waarin gevallen machten actief zijn. Het is als zuurstof: we zien het niet, maar het is er wel.

Efeze 6:12
“Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.”

 

1.2 Verlaten en dorre plaatsen, tussen de graven

De onreine geest zoekt rust in dorre plaatsen (Mattheüs 12:43), symbool voor geestelijke leegte.

In occulte praktijken worden nacht en verlaten plaatsen vaak symbolisch opgezocht. Dat onderstreept hoe sterk in de menselijke beleving duisternis wordt verbonden met het rijk van geesten. De Bijbel zelf spreekt echter vooral over geestelijke verlatenheid, niet over specifieke geografische locaties als vaste verblijfplaats.

Dorre plaatsen worden in de Bijbel verbonden met verlatenheid en geestelijke leegte. Dit kan wijzen op gebieden waar geen leven en geen goddelijke orde is. In sommige Bijbelgedeelten zien we dat demonisch beïnvloede mensen zich ophouden bij graven (Markus 5:3), wat de associatie met dood en verlatenheid versterkt.

De dorre plaats staat vaak voor afwezigheid van Gods tegenwoordigheid of het ontbreken van leven. Denk aan Psalm 63:2:
“Mijn ziel dorst naar U, mijn lichaam verlangt naar U, in een dor en droog land zonder water.”

Hier is de woestijn het beeld van een ziel die hongert naar God, een mens die geestelijk uitgedroogd raakt wanneer hij ver van de Bron leeft.

In Jesaja 34:14 en Mattheüs 12:43 worden woestijngebieden geassocieerd met onreine geesten en verlatenheid. In dat kader verwijst een “dor oord” naar een gebied zonder goddelijke orde, een ruimte waar chaos en onreinheid heersen.

Over Sodom en Gomorra, Jesaja 13:21:
“Niemand zal er verblijven, nooit meer, en niemand, van generatie op generatie, zal er wonen. Geen Arabier zal daar zijn tent opzetten, en geen herder zal daar neerstrijken.”

Het is nu nog steeds een verlaten gebied.

 

1.3 Demonische termen in Leviticus en Jesaja

Het woord (saʿir) wordt in Leviticus 17:7 duidelijk gedefinieerd als demon, niet als dier. Israël mocht daaraan nooit offeren.

Het Hebreeuwse woord dat soms met “Lilith” wordt vertaald, wordt door sommige uitleggers gezien als een verwijzing naar een nachtelijk demonisch wezen. Anderen verstaan het als poëtische beeldspraak voor verlatenheid.

In Jesaja 34:11-15, de profetie over Edom:
“Uilen, stekelvarkens, nachtwezens, satyrs/demonen zullen er wonen.”
Jesaja gebruikt deze termen om de geestelijke toestand van Edom te beschrijven. In de SV staat in Jesaja 34:14 letterlijk: “en de duivel zal zijn metgezel toeroepen.”

De bezetene in de grafspelonken (Markus 5:3):
“Hij had zijn woonplaats in de grafspelonken…”
In deze tijd zouden we zeggen: hij woonde op de begraafplaats.

Waar Gods openbarende tegenwoordigheid en orde ontbreken, ontstaat een gebied van chaos en geestelijke duisternis.

 

1.4 Als demonen geen rust vinden

Mattheüs 12:43
“Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet.”

Als de onreine geest geen rust kan vinden op dorre plaatsen, waar gaat deze dan heen?

“Wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken. Maar wanneer hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik uit weggegaan ben. En wanneer hij aankomt, vindt hij het geveegd en opgeruimd. Dan gaat hij weg en neemt zeven andere geesten mee, die meer verdorven zijn dan hijzelf, en wanneer zij naar binnen gegaan zijn, gaan zij daar wonen; en het einde van die mens wordt erger dan het begin.”

Met “huis” wordt een mens bedoeld. Zodra iemand bevrijd is van demonen, heeft deze persoon ook weer vervulling nodig van de Heilige Geest. Hier kom ik in een volgende studie uitgebreider op terug.

 

2. Hoe werken zij

2.1 Misleiding van het denken

Johannes 8:44: “…Hij is een leugenaar en de vader van de leugen.”
Kinderen doen hun ouders na. Als de satan je vader is, doe je wat hij doet.

Leugens als: “je bent waardeloos”, “God houdt niet van je”, “je zult nooit veranderen” komen uit de koker van de tegenstander.

Ook dwalingen die verkondigd worden door “valse profeten” (Mattheüs 7:15) en “overheden en wereldheersers” (Efeze 6:12).

 

2.2 Aanval op identiteit en gezondheid

Jezus herstelt identiteit en verbreekt de band (Lukas 13:11, 13:16).

Lukas 13:11
“En zie, er was een vrouw die achttien jaar een geest had waardoor zij ziek was; zij was kromgebogen en kon zich helemaal niet oprichten.”

Lukas 13:16
“Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is… niet van deze band verlost worden op de sabbat?”

Handelingen 8:7:
“Want bij velen die onreine geesten hadden, gingen die er onder luid schreeuwen uit; en veel verlamden en kreupelen werden genezen.”

 

2.3 Demonen zijn niet altijd de oorzaak van ziekte

Johannes 9:1-3 laat zien dat niet elke ziekte demonisch is.

“En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af…”
Jezus antwoordde:
“Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden.”

 

2.4 Binding en kwelling

Benauwdheid, verwarring en angst bij Saul (1 Samuël 16:14):
“De Geest van de HEERE was van Saul geweken, en een boze geest bij de HEERE vandaan joeg hem angst aan.”

Maar aanbidding brengt verlichting (1 Samuël 16:23):
“Wanneer David op de harp speelde… werd het voor Saul verlicht en ging het beter met hem, en de boze geest week van hem.”

 

2.5 Pijniging en zelfmoord

Markus 9:18, 20, 22 beschrijft hoe een geest een jongen in het vuur en water wierp om hem om te brengen. De demonen waren erop uit om deze jongen te doden.  

“En vaak heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen;”

De man die in de spelonken leefde, pijnigde zichzelf ook met stenen (Markus 5:5):
“…en sloeg zichzelf met stenen.”

Door de geschiedenis heen zijn er religieuze stromingen geweest waarin zelfkastijding voorkwam. Soms kan dit voortkomen uit een verkeerd godsbeeld of een diep schuldgevoel dat niet geworteld is in het bevrijdende Evangelie.

In ieder geval: ziekte, psychisch of lichamelijk, kán een demonische oorzaak hebben. Het is niet altijd zo. We leven in een schepping die gevallen is in zonde en gebrokenheid.

 

2.6 Misbruik van ruimte

“Geef de duivel geen plaats” (Efeze 4:27). Waar Gods waarheid ontbreekt, ontstaat ruimte voor demonen.

Jacobus 4:7:
“Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten.”

1 Petrus 5:8-9:
“Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden. Bied weerstand aan hem, vast in het geloof…”

 

3. Waarom moeten wij dit weten

Nuchterheid, geen angst (1 Petrus 5:8). We hoeven geen angst te hebben voor demonen, zolang wij in het licht van de Bijbel blijven.

Het Licht overwint (Johannes 1:5):
“En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet gegrepen.”
De duisternis kan het Licht niet wegnemen.

 

Greetje Jansen